Een vader overlijdt in november 2016 en laat zijn zoon en dochter achter als erfgenamen, ieder voor de helft van de nalatenschap. Tot de nalatenschap behoren alle aandelen in de bv van de vader die acht bedrijfspanden bezit in dezelfde plaats. Twee panden gebruikt de bv zelf, de overige zes worden verhuurd aan derden. De bv had voor het overlijden van de vader drie werknemers in dienst: de vader zelf, zijn partner en een medewerker die zorgt voor klein onderhoud en toezicht. De erfgenamen geven een ondernemingsvermogen aan van ruim € 3,1 miljoen en vragen toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (bor).
De bor biedt een voorwaardelijke vrijstelling van erfbelasting voor ondernemingsvermogen. Het doel van de regeling is om te voorkomen dat erfgenamen een familiebedrijf moeten verkopen om de erfbelasting te kunnen betalen. Een cruciale voorwaarde is echter dat de bv een materiële onderneming drijft in de zin van de Wet inkomstenbelasting. Bezit de bv alleen beleggingsvermogen, dan geldt de vrijstelling niet. Het onderscheid tussen ondernemen en beleggen is daarom van groot belang: bij een belaste verkrijging van ruim € 1,7 miljoen kan de vrijstelling honderdduizenden euro's aan erfbelasting schelen.
De zoon betoogt dat de bv wel degelijk een materiële onderneming dreef. Hij wijst op de opruimwerkzaamheden die nodig waren nadat een failliete huurder onbevoegd chemische stoffen had opgeslagen. Bovendien woonde de vader als beheerder op het terrein, wat volgens de zoon leidde tot lagere onderhoudskosten en een betere verhuurbaarheid. Ook hadden huurders verbouwingen uitgevoerd die de bv een hoger indirect rendement zouden opleveren. De inspecteur bestrijdt dat deze werkzaamheden het normale vermogensbeheer overstijgen.
Het hof geeft de inspecteur gelijk. Bij de exploitatie van onroerende zaken is pas sprake van een onderneming als de verrichte arbeid naar aard en omvang meer omvat dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Bovendien moet die arbeid onmiskenbaar ten doel hebben dat een rendement wordt behaald dat het normale rendement te boven gaat. De werkzaamheden van de bv voldoen niet aan deze dubbele maatstaf. Het opstellen van huurovereenkomsten, het onderhouden van contact met huurders, debiteurenbeheer, klachtenbehandeling en klein onderhoud zijn immers werkzaamheden die bij iedere verhuurder voorkomen. Dat de vader op het terrein woonde maakt dit niet anders, omdat de zoon niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit daadwerkelijk tot een hoger rendement leidde.
Een stichting ondersteunt de tuchtcolleges voor de advocatuur. De Nederlandse orde van advocaten (NOvA) betaalt hiervoor een jaarlijkse bijdrage. De stichting meent dat zij geen btw-ondernemer is, omdat zij niet zelfstandig opereert en haar diensten het algemeen belang dienen. De Hoge Raad oordeelt anders.
De stichting is in 2015 opgericht om de tuchtcolleges te ondersteunen bij hun taak. Zij werft griffiers en administratief personeel, huurt zittingszalen en werkplekken, beheert de websites van de tuchtcolleges en doet de persvoorlichting. De griffiers zijn formeel in dienst bij de stichting, maar worden aangewezen en ontslagen door de tuchtcolleges zelf. Sinds 2018 betaalt niet langer de Staat, maar de NOvA de kosten van de tuchtrechtspraak. De stichting ontvangt daarom een jaarlijkse kostendekkende bijdrage van de NOvA. Aan de tuchtcolleges brengt zij niets in rekening.
De stichting stelt zich op het standpunt dat zij geen btw verschuldigd is over de bijdrage van de NOvA. Ten eerste zou zij niet zelfstandig opereren, omdat zij organisatorisch verweven is met de tuchtcolleges en volledig afhankelijk is van hun aanwijzingen. Ten tweede zou zij niet deelnemen aan het economische verkeer, omdat haar specialistische diensten niet op een algemene markt worden aangeboden. Ten derde zou geen rechtstreeks verband bestaan tussen haar diensten en de bijdrage van de NOvA, omdat zij handelt in het algemeen belang van de rechtsstaat.
De Hoge Raad verwerpt alle drie de argumenten. Het begrip zelfstandigheid moet ruim worden uitgelegd. De stichting sluit in eigen naam contracten met leveranciers, onderhandelt zelf over de voorwaarden en gaat arbeidsovereenkomsten aan met haar personeel. Dat de griffiers formeel worden aangewezen door de tuchtcolleges en voor de inhoud van hun werk verantwoording aan hen verschuldigd zijn, doet hier niet aan af. Die wettelijke bepalingen beogen de onafhankelijkheid van de tuchtrechtspraak te waarborgen, niet de stichting ondergeschikt te maken aan de tuchtcolleges.
Ook het argument dat de stichting niet deelneemt aan het economische verkeer slaagt niet. De diensten van de stichting omvatten meer dan alleen griffierswerkzaamheden. Zij verzorgt de volledige organisatie en coördinatie van de tuchtrechtspraak. Dergelijke ondersteunende diensten kunnen ook door andere partijen worden aangeboden. Dat de stichting statutair gebonden is aan de tuchtcolleges als enige afnemers, sluit deelname aan een algemene markt niet uit. Tot slot verwerpt de Hoge Raad het beroep op het algemeen belang. Het feit dat de tuchtrechtspraak de rechtsstaat en de maatschappij dient, betekent niet dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de diensten en de vergoeding. De tuchtcolleges zijn de identificeerbare verbruikers van de diensten en de bijdrage van de NOvA vormt de tegenprestatie. Het cassatieberoep is ongegrond.
Een ondernemer mag jaarlijks maximaal 20% van de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen afschrijven. Dit percentage geldt voor de kosten exclusief btw, tenzij de btw niet kan worden teruggevraagd. Deze regel zorgt er in de meeste gevallen voor dat de afschrijving over een langere periode wordt gespreid.
Een ondernemer schaft een laptop, tablet en accessoires aan voor € 2.934, exclusief btw (€ 3.551 inclusief). In zijn aangifte neemt hij € 3.551 aan afschrijvingskosten op. De inspecteur corrigeert dit bedrag in de definitieve aanslag. Na bezwaar staat de inspecteur € 711 (20% van € 3.551) aan afschrijvingskosten toe.
De ondernemer stelt dat hij recht heeft op een hogere afschrijving. De rechtbank overweegt echter dat de afschrijvingsbasis € 2.934 exclusief btw is, omdat de ondernemer de btw op de computerkosten heeft teruggevraagd. De maximale jaarlijkse afschrijving bedraagt daar 20% van, wat neerkomt op € 587. De inspecteur heeft in de bezwaarfase al € 711 aan afschrijvingskosten toegestaan, wat dus al hoger is dan het wettelijk toegestane bedrag.
Een belastingaanslag waarbij voor de jaren 2017 tot en met 2020 te veel inkomstenbelasting in box 3 is geheven, hoeft niet te worden verminderd als die aanslag definitief is komen vast te staan vóór het zogenoemde Kerstarrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. Dat heeft de Hoge Raad beslist in twee zaken die als proefprocedures waren voorgelegd.
In het Kerstarrest is geoordeeld dat het box 3-stelsel vanaf 2017 een inbreuk vormt op het discriminatieverbod en het eigendomsrecht als het fictieve rendement hoger is dan het werkelijke rendement. Aanslagen moeten dan worden verminderd. De wettelijke regeling kent echter een uitzondering. Een vermindering vindt niet plaats als de onjuistheid van de aanslag voortvloeit uit rechtspraak die pas is gewezen nadat de aanslag definitief is geworden. De Hoge Raad heeft in 2022 al beslist dat het Kerstarrest 'nieuwe jurisprudentie' is.
De Hoge Raad ziet geen reden terug te komen van zijn eerdere beslissing uit 2022. Personen die niet tijdig bezwaar hebben gemaakt, verkeren niet in dezelfde positie als wel-bezwaarmakers, waardoor van discriminatie geen sprake is. De uitzondering voor 'nieuwe jurisprudentie' is ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De doelen van rechtszekerheid en praktische overwegingen zijn legitiem en de nadelige gevolgen voor niet-bezwaarmakers zijn niet onevenredig. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden leiden, zijn niet gesteld. Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard.
De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief aangenomen. Dit wetsvoorstel wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek door het invoeren van een rechtsvermoeden van werknemerschap bij een laag uurtarief. Deze maatregel heeft als doel laagbetaalde zzp’ers, die vaak kwetsbare werkenden zijn, beter te beschermen tegen schijnzelfstandigheid.
Het rechtsvermoeden geldt voor zzp’ers die minder dan € 38 per uur (peildatum 1 januari 2026) verdienen. De introductie van dit vermoeden maakt het voor deze zzp’ers eenvoudiger om hun rechtspositie als werknemer op te eisen bij de werkgevende en, indien nodig, bij de rechter.
Wanneer zzp’ers een beroep doen op dit rechtsvermoeden, moeten de opdrachtgevers aantonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Als opdrachtgevers dit niet kunnen bewijzen, is er sprake van schijnzelfstandigheid. In dat geval heeft de zzp’er recht op de bescherming die hoort bij iemand in loondienst, zoals recht op loondoorbetaling bij ziekte en ontslagbescherming.
Een bv brengt over de jaren 2014 tot en met 2017 forse bedragen aan voorbelasting in aftrek. Bij een boekenonderzoek blijkt dat zij voor een groot deel van die aftrek geen facturen kan overleggen. De bv verwijst naar haar grootboekkaarten, maar de inspecteur legt naheffingsaanslagen op van in totaal ruim € 64.000.
De bv heeft over 2014 bijna € 70.000 aan voorbelasting in aftrek gebracht, verdeeld over de vier kwartalen. In de jaren daarna fluctueren de bedragen sterk: van slechts € 51 in het derde kwartaal van 2015 tot ruim € 13.000 in het tweede kwartaal van 2016. Bij het boekenonderzoek kan de bv echter alleen facturen overleggen voor managementvergoedingen. Die facturen onderbouwen slechts een klein deel van de geclaimde aftrek. Voor het overige beschikt de bv alleen over grootboekkaarten.
De bv voert aan dat zij de naheffingsaanslag 2014 pas begin januari 2020 heeft ontvangen, terwijl de naheffingstermijn op 31 december 2019 verstreek. Zij betwist dat de inspecteur de aanslag tijdig ter post heeft bezorgd. De inspecteur toont echter een verzendrapportage, waaruit blijkt dat de naheffingsaanslag op 24 december 2019 aan PostNL is aangeboden. De rechtbank acht daarmee aannemelijk dat de aanslag tijdig is verzonden naar het juiste adres. De naheffingsaanslag 2014 is dus binnen de termijn opgelegd. Dat de bv de aanslag pas in januari 2020 ontving, doet daar niet aan af.
De rechtbank beoordeelt vervolgens de aftrek van voorbelasting. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de bv recht heeft op aftrek van de btw op de facturen voor de managementvergoedingen. Het geschil spitst zich toe op de posten waarvoor geen facturen zijn. De bv verklaart zelf dat zij de aftrek voor deze posten alleen kan onderbouwen met grootboekkaarten. De rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is.
Een ondernemer kan de btw die andere ondernemers aan hem in rekening hebben gebracht alleen in aftrek brengen als die btw vermeld staat op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur. Zonder factuur bestaat dus geen recht op aftrek, hoe overtuigend de grootboekkaarten ook mogen zijn. De naheffingsaanslagen zijn terecht opgelegd. De vergrijpboeten worden wel vernietigd, omdat beide partijen het daarover eens zijn.
Een adviseur begeleidt de sanering van een groep vennootschappen. De vennootschappen gaan failliet. De curator stelt de adviseur aansprakelijk voor de schade van de schuldeisers. Die schade bestaat grotendeels uit belastingschulden. De adviseur vindt dat die belastingschulden niet kloppen en wil dat de Ontvanger ze intrekt. Kan een buitenstaander de belastingschuld van een ander aanvechten?
In 2006 gaan zeven vennootschappen failliet. De Ontvanger dient naheffingsaanslagen loonheffing en omzetbelasting in. De curator stelt de adviseur aansprakelijk namens de gezamenlijke schuldeisers wegens onrechtmatig handelen bij de sanering. Dit is een zogeheten Peeters/Gatzen-vordering: de curator vordert niet namens de boedel, maar namens alle schuldeisers gezamenlijk. Het hof wijst de vordering toe en veroordeelt de adviseur tot schadevergoeding. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.
Jaren later krijgt de adviseur administratie in handen waaruit zou blijken dat de vennootschappen helemaal geen omzetbelastingschulden hadden. Hij probeert het arrest te laten herroepen. De Hoge Raad vernietigt de afwijzing van dat verzoek en wijst de zaak terug. Uiteindelijk schikken de adviseur en de curator. Maar daarmee is de kous niet af. De adviseur wil ook dat de Ontvanger de belastingaanslagen intrekt.
De adviseur vraagt de Ontvanger de belastingaanslagen te toetsen op materiële verschuldigdheid. De Ontvanger erkent dat een bedrag van € 14.006 ten onrechte niet is verrekend, maar wijst het verzoek voor het overige af. De aanslagen zijn volgens hem niet onmiskenbaar onjuist. De adviseur stapt naar de burgerlijke rechter en eist intrekking plus schadevergoeding. De rechtbank en het hof wijzen de vorderingen af.
De Hoge Raad zet de regels op een rij. Als de Ontvanger iemand aansprakelijk stelt voor de belastingschuld van een ander, mag die persoon de juistheid van de schuld bij de burgerlijke rechter betwisten. Nieuw is dat dit ook geldt bij verhaalsconcurrentie, de situatie waarin de Ontvanger en een andere schuldeiser beide verhaal zoeken op dezelfde schuldenaar. Op dit punt komt de Hoge Raad uitdrukkelijk terug van zijn in 2011 gewezen arrest Dumatrust/Ontvanger.
De adviseur valt echter buiten deze categorieën. Hij is niet door de Ontvanger aansprakelijk gesteld en er is geen verhaalsconcurrentie. Het is de curator die hem aansprakelijk heeft gesteld. In zo'n geval moet de adviseur het uitvechten met de curator, niét met de Ontvanger. De Ontvanger handelt pas onrechtmatig als hij bij indiening of handhaving van de vordering wist, of na onderzoek had moeten weten, dat de aanslagen niet klopten. Dat is hier niet gebleken. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.
Een dga sluit een overeenkomst voor de aankoop van cryptotokens. De bv maakt het aankoopbedrag van € 250.000 over. De tokens blijken waardeloos. De bv wil het verlies ten laste van haar resultaat brengen. De inspecteur weigert de afwaardering. De overeenkomst staat immers op naam van de dga, niet op naam van de bv.
In 2018 wordt de dga benaderd door een bedrijf uit de Verenigde Arabische Emiraten. Het bedrijf wil geld ophalen voor een cryptominingonderneming. De dga krijgt een brochure met mooie rendementsvooruitzichten. Hij sluit een overeenkomst voor de aankoop van ruim 422 miljoen tokens voor € 250.000. De tokens geven recht op een maandelijks aandeel in de opbrengst van de mining. De bv maakt het bedrag over. In de jaarrekening 2018 van de bv worden de tokens opgenomen onder financiële vaste activa.
Het blijkt echter dat er niets gebeurt met het geld. De cryptomining komt nooit van de grond. In mei 2020 bevestigt een van de betrokkenen per e-mail dat het project is mislukt en de investering waardeloos is. Een onderzoeksbureau concludeert in opdracht van de dga dat voldoende grond bestaat voor aangifte wegens oplichting. In de aangifte vennootschapsbelasting 2019 brengt de bv de volledige € 250.000 in aftrek als afwaardering van de tokens.
De inspecteur weigert de aftrek. De overeenkomst is immers door de dga in privé gesloten, niet door de bv. Ook het ontvangstbewijs voor de tokens staat op naam van de dga. Dat de bv het bedrag heeft overgemaakt, maakt dit niet anders. De betaling kwalificeert als verkapte winstuitdeling aan de dga. De inspecteur legt een aanslag op naar een belastbaar bedrag van € 3.556.548 in plaats van de aangegeven € 3.306.548.
De curator van de inmiddels failliete bv gaat in beroep. Hij stelt dat de bv om zakelijke redenen in de tokens heeft geïnvesteerd, namelijk om handelstransacties in cryptovaluta te faciliteren. Het hof oordeelt dat de bewijslast bij de curator ligt. Uit de overeenkomst blijkt nergens dat de dga namens de bv handelde. De curator heeft ook geen e-mails of andere stukken uit 2018 overgelegd waaruit dit zou kunnen blijken. De inspecteur had hier al vóór het faillissement om gevraagd. Dat de stukken er niet meer zijn, komt voor rekening van de bv. Bovendien heeft de accountant zich onthouden van een oordeel over de jaarrekening. De afwaardering is terecht geweigerd.
Een echtpaar vraagt om herverdeling van de gezamenlijke inkomensbestanddelen over 2019. De inspecteur legt een navorderingsaanslag op aan de man en geeft een teruggaaf aan de vrouw. Bij de navorderingsaanslag brengt de inspecteur € 3.681 aan belastingrente in rekening, meer dan het echtpaar oorspronkelijk samen verschuldigd was. De man protesteert. Hij vindt het niet terecht dat de inspecteur bij een herverdeling meer belastingrente in rekening brengt.
Hij wijst erop dat de totale belastingrente bij de oorspronkelijke aanslagen slechts € 2.675 bedroeg. Door de herverdeling stijgt zijn belastingrente dus fors. De inspecteur erkent echter dat hij bij de oorspronkelijke aanslagen een fout had gemaakt. Hij had de rente over een te korte periode berekend. Eigenlijk had de totale belastingrente € 6.889 moeten zijn. De man heeft dus juist voordeel gehad van de fout.
De man stelt dat het percentage belastingrente in strijd is met hogere regelgeving. Hij beroept zich onder meer op het EVRM en het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank verwijst naar een arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026. Daarin oordeelde de Hoge Raad weliswaar dat de belastingrente voor de vennootschapsbelasting te hoog is, maar dat dit niet geldt voor de inkomstenbelasting. Het rentepercentage is niet disproportioneel. De prikkel om tijdig en juist aangifte te doen is immers een legitiem doel.
Subsidiair beroept de man zich op het verbod van reformatio in peius. De belastingrente mag door het bezwaar niet hoger worden dan bij de oorspronkelijke aanslagen. De rechtbank gaat hier niet in mee. De belastingrente is namelijk gewijzigd als gevolg van het verzoek om een andere verdeling, niet door het bezwaar. Dat de inspecteur bij de oorspronkelijke aanslagen te weinig rente in rekening had gebracht, doet daar niet aan af. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De beslissing van de werkgever om een werknemer met een nulurencontract niet meer op te roepen voor werkzaamheden moet worden aangemerkt als een onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst. De werknemer is sinds 1 oktober 2024 in dienst. Na augustus 2025 roept de werkgever hem niet meer op voor werkzaamheden. De werknemer spreekt zijn werkgever hierop aan en verzoekt betaling van achterstallig salaris, transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding. De werkgever weigert betaling en stelt dat de arbeidsovereenkomst niet is beëindigd, maar dat zij slechts is gestopt met oproepen.
Het blijvend niet meer oproepen voor werkzaamheden door de werkgever komt neer op een opzegging van de arbeidsovereenkomst. Omdat de werknemer niet heeft ingestemd en de opzegtermijn niet in acht is genomen, is sprake van een onregelmatige opzegging. Wanneer een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, wordt vermoed dat de bedongen arbeid in enige maand een omvang heeft die gelijk is aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden De werknemer heeft aannemelijk gemaakt dat hij structureel meer uren werkte dan de nul uren uit het contract. De werkgever heeft dit vermoeden niet weerlegd en heeft geen deugdelijke urenregistratie overgelegd. De kantonrechter gaat daarom uit van de gestelde en met werkbriefjes onderbouwde arbeidsomvang van 43,5 uur per week.
De vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding worden toegewezen. Ook het achterstallig salaris over juli en augustus en het opgebouwde vakantiegeld, vermeerderd met de wettelijke verhoging, worden toegewezen. De wettelijke rente over deze bedragen wordt eveneens toegewezen. De loonvordering vanaf september 2025 tot 24 november 2025 wordt afgewezen. De werknemer heeft zich niet beschikbaar gehouden voor werkzaamheden na het starten van een nieuwe baan. De werkgever moet binnen één maand correcte bruto/netto-specificaties verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 50 per dag tot maximaal € 1.000.
Een vrouw overlijdt in 2022 en laat een testament na uit 1986. Daarin benoemt zij haar echtgenoot en dochter tot erfgenaam, ieder voor de helft. De echtgenoot krijgt een legaat tegen inbreng van de waarde en het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap. De dochter verkrijgt de bloot eigendom. De inspecteur legt een aanslag erfbelasting op van € 2.500, later verminderd tot € 2.444. De dochter maakt bezwaar.
De dochter heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard. Zij heeft geen toegang tot de nalatenschap en de verhouding met haar vader is gebrouilleerd. Via haar gemachtigde vraagt zij de vader de erfbelasting te betalen. De vader laat via de executeur weten dat hij de erfbelasting niet wenst te betalen. De dochter stelt dat sprake is van een individuele en buitensporige last in de zin van het EVRM.
De rechtbank oordeelt dat de beneficiaire aanvaarding niet afdoet aan de verschuldigdheid van erfbelasting. De beneficiaire aanvaarding ziet uitsluitend op de aansprakelijkheid voor schulden van de nalatenschap, niet op de heffing van erfbelasting. Het moment van overlijden is bepalend voor de belastingschuld. De dochter is als erfgenaam erfbelasting verschuldigd over haar verkrijging van het bloot eigendom.
De rechtbank overweegt dat de erfbelasting in beginsel voor rekening van de vruchtgebruiker komt. Dat de vader de erfbelasting niet wenst te betalen, is echter een civielrechtelijke kwestie die niet afdoet aan het fiscale oordeel. De dochter heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij ook in de toekomst feitelijk niets meer zal verkrijgen van de erfenis. Van een individuele en buitensporige last is daarom geen sprake. De aanslag blijft in stand.
De voorlopige inhoud van het Belastingplan 2027-pakket geeft een eerste blik op de aanstaande wijzigingen. Het pakket Belastingplan 2027 omvat vier wetsvoorstellen, waaronder het Belastingplan 2027 zelf en het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2027, dat technische aanpassingen bevat zonder budgettaire gevolgen. Daarnaast zijn er wetsvoorstellen voor veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024 en fiscale stimulering van startups en scale-ups.
Overdrachtsbelasting en btw
De overdrachtsbelasting voor particuliere investeerders daalt van 8% naar 7% per 1 januari 2027 voor woningen waarin de verkrijger niet zelf duurzaam gaat wonen. Ook komt er een nieuwe vrijstelling in de overdrachtsbelasting voor woningcorporaties die DAEB-woningen aan elkaar overdragen. Het lage btw-tarief voor sierteeltproducten stijgt van 9% naar het algemene btw-tarief van 21% per 1 januari 2028.
Aftrekposten en accijnzen
De aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten wordt afgeschaft per 2028. De startersaftrek wordt per 1 januari 2027 verlaagd en per 1 januari 2028 volledig afgeschaft. De onbelaste reiskostenvergoeding stijgt met € 0,02 naar € 0,25 per kilometer, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026. De korting op de brandstofaccijns voor benzine wordt verlengd in 2027, waarna het reguliere tarief per 1 januari 2028 weer van toepassing is. Vanaf 2027 worden de alcoholaccijnzen jaarlijks geïndexeerd.
Fiscale stimulering en overige maatregelen
Het aftrekpercentage van de energie-investeringsaftrek (EIA) wordt per 1 januari 2027 verhoogd van 40% naar 45,5%. De fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten onder de deelnemingsvrijstelling wordt aangepast om onevenwichtigheden weg te nemen. De accijnsteruggaafregeling voor bio- en hernieuwbare brandstoffen wordt per 1 januari 2027 beëindigd.
Een vrouw woont in 2019 en 2020 in Italië en ontvangt in die jaren een Ziektewet-uitkering van het UWV. De vrouw doet aangifte voor beide jaren, waarin zij de uitkeringen als 'elders belast' op nihil stelt. De inspecteur legt de aanslagen geautomatiseerd op, conform de aangiften. Later maakt de vrouw bezwaar tegen de aanslag 2020, waarin zij stelt dat zij geen inkomen in Nederland ontvangt. De inspecteur kondigt vervolgens navorderingsaanslagen aan voor 2019 en 2020, omdat Nederland volgens hem wel heffingsrecht heeft over de ZW-uitkeringen.
De inspecteur stelt dat sprake is van een kenbare fout. De aangiften zijn geautomatiseerd afgedaan en niet handmatig beoordeeld. De rechtbank overweegt dat navordering mogelijk is als een aanslag te laag is vastgesteld door een fout van de vrouw, tenzij de inspecteur de fout welbewust heeft geaccepteerd. Dat laatste is niet het geval. De aanslagen zijn te laag vastgesteld door de geautomatiseerde aanslagregeling, niet door een onjuist inzicht van de inspecteur. Omdat het verschil tussen de aanslagen en de verschuldigde belasting meer dan 30% bedraagt, wordt aangenomen dat de fouten voor de vrouw redelijkerwijs kenbaar waren. De rechtbank oordeelt dat er een geldige navorderingsgrond is.
De vrouw stelt dat zij door het instellen van bezwaar niet in een slechtere positie mag komen (het verbod van 'reformatio in peius'). De navorderingsaanslagen zijn immers opgelegd naar aanleiding van haar bezwaar. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur dit verbod niet heeft geschonden. De wetgever heeft niet bedoeld dat het verbod ook geldt als er een zelfstandige grond voor navordering bestaat. Aangezien de inspecteur bevoegd was om navorderingsaanslagen op te leggen, levert het gebruikmaken van deze bevoegdheid geen strijd op met het verbod.
Een recyclingbedrijf betaalt in 2017 ruim € 1 miljoen aan twee bv's voor de levering van cacaoveegsel en steigermateriaal. De FIOD vermoedt dat geen goederen zijn geleverd en dat het om witwassen gaat. De strafrechter spreekt het bedrijf vrij. Toch legt de inspecteur een navorderingsaanslag op. Mag dat na een vrijspraak? En wat betekent de vrijspraak voor de vergrijpboete?
Het recyclingbedrijf maakt deel uit van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. In 2017 stelt het bedrijf creditfacturen op aan twee bv's: € 325.000 voor cacaoveegsel en € 753.280 voor steigermateriaal. Het bedrijf betaalt deze bedragen aan de twee bv's en brengt ze als inkoopkosten in aftrek. De FIOD doet onderzoek. De twee bv's blijken holdings te zijn zonder activiteiten in de recyclingbranche. Weegbonnen, vrachtbrieven en andere documenten die de leveringen onderbouwen, ontbreken. De dga verklaart dat hij niet weet van wie de goederen afkomstig zijn en dat hij geen contactpersoon heeft bij een van de bv's.
Het recyclingbedrijf wordt vervolgd voor witwassen en valsheid in geschrifte. De strafrechter spreekt het bedrijf vrij. Er zijn weliswaar aanwijzingen dat een goederenstroom ontbreekt, maar er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de facturen vals zijn. De inspecteur legt desondanks een navorderingsaanslag op van ruim € 1 miljoen aan gecorrigeerde winst, plus een vergrijpboete van € 129.785.
De rechtbank oordeelt dat de strafrechtelijke vrijspraak niet in de weg staat aan de navorderingsaanslag. De belastingrechter vormt zelfstandig een oordeel over de feiten en is daarbij niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter. De bewijslast voor de inkoopkosten rust op het bedrijf. Het bedrijf slaagt daar niet in. De creditfacturen zijn door het bedrijf zelf opgesteld en worden niet ondersteund door achterliggende stukken of een geloofwaardige verklaring. Bij een kostenpost van ruim € 1 miljoen mag worden verwacht dat deze kan worden onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens.
Voor de vergrijpboete geldt een ander regime. De inspecteur moet overtuigend aantonen dat sprake is van opzet. Hij baseert zich uitsluitend op de bevindingen van het strafrechtelijke onderzoek en heeft geen aanvullend onderzoek verricht. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur daarmee niet in zijn bewijslast slaagt. De boete verwijt het bedrijf in wezen dat het valse facturen heeft gebruikt. Dat uitgangspunt is na de strafrechtelijke vrijspraak in strijd met de onschuldpresumptie. De rechtbank vernietigt daarom de boete.
Een Poolse ondernemer exploiteert een klusbedrijf en verricht renovatie-, stukadoors- en schilderwerk in Nederland. Hij verblijft afwisselend in Polen en Nederland: twee weken daar, drie weken hier. De inspecteur legt over 2017 en 2018 navorderingsaanslagen op en over 2019 een aanslag. De ondernemer stelt dat hij geen vaste inrichting heeft in Nederland en dat de winst dus niet in Nederland belastbaar is.
De ondernemer woont in Polen, maar staat jarenlang ingeschreven op diverse Nederlandse adressen. De ondernemer en de inspecteur zijn het erover eens dat Polen op basis van het belastingverdrag als woonland geldt. De vraag is of Nederland mag heffen over de winst uit de hier verrichte werkzaamheden.
De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse woning waar de ondernemer verblijft een vaste inrichting vormt. De ondernemer is de enige die werkzaam is voor de onderneming. Tijdens zijn verblijf in Nederland voert hij niet alleen klussen uit, maar heeft hij ook afspraken met klanten, maakt hij offertes en sluit hij overeenkomsten. De rechtbank acht aannemelijk dat in de woning werkzaamheden worden verricht zoals klantcontact en het bijhouden van de administratie.
De ondernemer betoogt dat een eenmanszaak zichzelf geen machtiging kan verlenen en dat daarom artikel 5 lid 5 van het belastingverdrag niet van toepassing kan zijn. De rechtbank verwerpt dit betoog. Doel en strekking van de bepaling is dat sprake is van een vaste inrichting wanneer iemand rechtsgeldig namens de onderneming kan optreden en de onderneming kan binden. Een interpretatie waarbij alleen een werknemer of een derde een vaste inrichting zou vormen, maar de ondernemer zelf niet, acht de rechtbank niet in overeenstemming met deze strekking.
Een man ontvangt een aanzienlijke nabetaling van het UWV. De rechtbank concludeert dat de man de nabetaling fiscaal heeft genoten in 2020. Dit komt doordat hij het geld pas in dat jaar in één keer heeft ontvangen en er eerder onzekerheid bestond over zijn recht op de uitkering. Volgens de wet is het genietingsmoment van loon ineens het moment van nabetalen. De rechtbank kan deze situatie niet veranderen, omdat dit een keuze van de wetgever is. De aanslag klopt dan ook.
De rechtbank heeft wel sterk het vermoeden dat het UWV veel te weinig loonheffing heeft ingehouden op de nabetaling. Het is immers erg onwaarschijnlijk dat er maar € 2.373 aan loonheffing drukt op een brutoloonbedrag van € 30.638. De rechtbank denkt dus dat er op de een of andere manier achter de schermen bij het UWV iets is misgegaan. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat het UWV tijdens de procedure over het uitkeringsrecht wel gewoon elke maand (of elke vier weken) een loonstrook heeft gedraaid, maar steeds het nettobedrag dat onderaan die strook staat heeft achtergehouden in afwachting van de procedure. Toen die procedure was afgerond, zijn eenvoudigweg alle achterstallige bedragen bij elkaar opgeteld en heeft het UWV de opgetelde netto bedragen aan de man uitbetaald. De opgetelde brutobedragen en de opgetelde inhoudingen van loonheffing zijn vervolgens doorgegeven aan de Belastingdienst. Als dat klopt, zou dat verklaren waarom het UWV zo weinig loonheffing heeft ingehouden.
De rechtbank vindt het te ver gaan om op dit punt zelf actie te ondernemen richting het UWV, maar de man zou dat wel kunnen doen, bijvoorbeeld door het klachtenformulier in te vullen. Daarbij kan de man dan de uitspraak van de rechtbank meesturen, zodat het UWV begrijpt waar de crux zit. Daarnaast zou een verzoek tot middeling tot een teruggaaf voor de man kunnen leiden. Daarmee wordt dan een deel van de pijn verzacht. De rechtbank heeft de stukken van de man tegelijk met de uitspraak naar de inspecteur gestuurd, zodat de inspecteur het verzoek om middeling met inachtneming van de informatie uit de uitspraak in behandeling kan nemen.
Twee vennoten handelen via een vof in Amerikaanse auto-onderdelen. Na een computercrash raken zij hun administratie kwijt. Om de aangifte sluitend te krijgen, waarderen zij de voorraad tegen actuele prijzen in plaats van de historische kostprijs. Het verschil boeken zij via de kapitaalrekening. De inspecteur accepteert dit niet. De herwaardering hoort in de winst. De ondernemer verweert zich met een beroep op de foutenleer.
De inspecteur constateert dat het eindvermogen van de vof per 31 december 2018 niet aansluit bij het beginvermogen per 1 januari 2019. Het verschil bedraagt € 219.384. De ondernemer verklaart dat dit komt door een computercrash, waardoor veel gegevens verloren zijn gegaan. Om de administratie te kunnen reconstrueren, heeft hij de voorraad gewaardeerd tegen de actuele inkoopprijzen per 1 januari 2021 in plaats van de historische kostprijs. Het verschil heeft hij geboekt op de kapitaalrekening van de andere vennoot.
De inspecteur stelt dat voorraad fiscaal moet worden gewaardeerd tegen de historische kostprijs. Een herwaardering naar actuele prijzen is in strijd met goed koopmansgebruik. Bovendien mag een herwaardering niet via de kapitaalrekening lopen, maar hoort zij thuis in de winst- en verliesrekening. Door de voorraad op te waarderen en het verschil buiten de winst te houden, verantwoordt de vof in latere jaren een te lage brutomarge en dus te weinig winst.
De inspecteur corrigeert aanvankelijk het volledige verschil, maar herziet zijn standpunt in bezwaar. Uit de administratie blijkt dat de voorraad per 1 januari 2019 is gewaardeerd op € 340.000, terwijl de balans per 31 december 2018 een voorraad vermeldt van € 177.968. Het verschil van € 162.032 is via de kapitaalrekening geboekt in plaats van via de winst. De inspecteur corrigeert daarom dit bedrag. Omdat de ondernemer voor 50% gerechtigd is tot de winst, bedraagt zijn correctie € 81.016.
De ondernemer stelt dat de oorzaak van het verschil in oude jaren ligt en dat een eventuele correctie daar moet plaatsvinden. De rechtbank verwerpt dit betoog. Ook als de fout in eerdere jaren is ontstaan, kan de inspecteur deze op grond van de foutenleer corrigeren in het oudste nog openstaande jaar. Dat is hier 2019. De totaalwinst moet immers worden belast. Een vermogenssprong die buiten de heffing blijft, is daarmee uitgesloten.
De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel Wet digitale algemene vergadering privaatrechtelijke rechtspersonen aangenomen. De wet creëert flexibiliteit door rechtspersonen toe te staan te kiezen voor fysieke, hybride of volledig digitale vergaderingen, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
De wet maakt het mogelijk voor nv's, bv's, verenigingen, vve's, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen om een volledig digitale algemene vergadering te houden. Deze optie bestaat naast de al bestaande fysieke en hybride vergaderingen. De regeling is facultatief. Rechtspersonen kunnen zelf de vergadervorm kiezen.
Voor de meeste rechtspersonen (nv's, bv's, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen) is een statutenwijziging vereist om digitaal te vergaderen. Verenigingen en vve's kunnen volstaan met een machtiging van de algemene vergadering, om zo kosten voor een statutenwijziging te vermijden. Deelnemers moeten de vergadering rechtstreeks kunnen volgen met beeld en geluid en met beeld en geluid kunnen deelnemen aan de beraadslaging via een tweezijdig audiovisueel communicatiemiddel. Dit is een aanscherping van de huidige regels voor hybride vergaderingen. Identificatie van deelnemers en de mogelijkheid tot rechtstreekse uitoefening van het stemrecht blijven verplicht. De procedure hiervoor moet in de oproeping worden vermeld. Rechtspersonen moeten rekening houden met leden met beperkte digitale vaardigheden en zo nodig praktische ondersteuning bieden.
Het instemmingsvereiste voor het elektronisch oproepen van leden of aandeelhouders vervalt. Niet-beursgenoteerde nv's mogen voortaan ook oproepen via een langs elektronische weg openbaar gemaakte aankondiging, bijvoorbeeld op de website, in plaats van via een landelijk dagblad. De oproeping moet informatie bevatten over de procedure voor deelname aan de digitale vergadering en het uitoefenen van het stemrecht.
Een dga verkoopt zijn aandelen voor € 5.000. De koper neemt ook zijn rekening-courantschuld van € 287.000 over. De inspecteur telt die schuld op bij de overdrachtsprijs en legt een navorderingsaanslag op naar een ab-inkomen van ruim € 274.000. Te gortig, vindt de dga. De schuld was toch nooit meer in te lossen. Het hof geeft hem deels gelijk. De schuld telt mee, maar niet tegen de nominale waarde.
Het hof oordeelt dat sprake is van een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst. De dga verkoopt aandelen met een eigen vermogen van ruim € 271.000 voor slechts € 5.000. De accountant heeft de winstreserves niet meegenomen in zijn taxatie. Hieruit volgt dat de dga de koper heeft willen bevoordelen. In dat geval mag de inspecteur de overeengekomen prijs negeren en uitgaan van de waarde in het economisch verkeer.
De inspecteur stelt dat de overgenomen schuld onderdeel is van de tegenprestatie. Hij telt de nominale waarde van € 287.419 op bij de verkoopprijs van € 5.000 en trekt daar de verkrijgingsprijs van € 18.151 van af. Zo komt hij op een ab-voordeel van € 274.268. De dga betwist dit. Hij stelt dat de schuld nooit meer was af te lossen en daarom geen waarde vertegenwoordigt.
Het hof volgt de inspecteur niet volledig. De schuld is weliswaar opgelopen tot € 287.419, maar dat betekent niet dat de waarde ervan gelijk is aan dit bedrag. De schuld was niet opeisbaar, er was geen rente verschuldigd en er waren geen zekerheden gesteld. Bovendien was de dga ten tijde van de verkoop 54 jaar en kampt hij met gezondheidsbeperkingen. Het hof acht aannemelijk dat de schuld grotendeels oninbaar zou zijn geweest.
De dga stelt dat de waarde van de schuld nihil is, maar ook dát maakt hij niet aannemelijk. Hij bezit namelijk een eigen woning met een WOZ-waarde van € 249.000 en een hypotheekschuld van € 200.000. Daarmee is sprake van € 49.000 aan overwaarde. Het hof stelt de waarde van de schuld vast op dit bedrag. Het ab-voordeel komt daarmee uit op € 35.849, zijnde de verkoopprijs van € 5.000 plus de waarde van de schuld van € 49.000, minus de verkrijgingsprijs van € 18.151.
Vanaf 2027 krijgen werkgevers geen geld meer terug van de overheid voor de transitievergoeding die ze betalen bij ontslag als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Dit geldt ook voor de compensatieregeling bij bedrijfsbeëindiging vanwege pensionering of overlijden van de werkgever. Aanvankelijk werd voorgesteld de regeling te beperken tot kleine werkgevers. Het kabinet heeft nu voor een algehele afschaffing gekozen.
Een yogalerares schrijft zich in februari 2020 in bij de KVK. In haar aangifte vermeldt zij een verlies uit onderneming. Dit bedrag is opgebouwd uit een omzet van € 203, verminderd met zelfstandigenaftrek en startersaftrek en verhoogd met de MKB-winstvrijstelling. Zij vermeldt geen kosten of bedrijfsmiddelen op de balans.
De inspecteur merkt de omzet van € 203 aan als resultaat uit overige werkzaamheden en past de ondernemersfaciliteiten niet toe. De vrouw maakt bezwaar, maar dit wordt ongegrond verklaard. Ook de rechtbank verklaart haar beroep ongegrond.
Een onderneming vereist een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal die deelneemt aan het maatschappelijk verkeer met het oogmerk om voordeel te behalen. Cruciaal is dat dit voordeel ook redelijkerwijs te verwachten moet zijn. Bij de beoordeling hiervan wordt onder meer gekeken naar de duurzaamheid en omvang van de werkzaamheden, de beschikbare tijd, ondernemersrisico, de omvang van inkomsten en investeringen, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten.
De lerares maakt niet aannemelijk dat zij een onderneming drijft. De omzet (van € 203) is marginaal en er zijn geen kosten of investeringen vermeld. Haar urenoverzichten bestaan uit ronde getallen en veel activiteiten zijn als vrijwilligerswerk omschreven. Er is geen kenbaar bedrijfsplan of realistisch doel. Ook uit de aangiften van latere jaren blijkt geen redelijke winstverwachting. Daarom komt de vrouw niet in aanmerking voor de ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek.
De vrouw stelt dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel schendt, onder meer door haar niet te wijzen op het versoepelde urencriterium en door de uitspraak op bezwaar te snel te doen. De inspecteur heeft echter niet onzorgvuldig gehandeld. Het urencriterium is niet relevant als er geen sprake is van een onderneming. Bovendien heeft de vrouw voldoende tijd gehad om aanvullende informatie te verstrekken, maar heeft zij dit niet gedaan.
Per 1 september 2026 wordt het tarief van de vrachtwagenheffing met 22,3% verlaagd. De vrachtwagenheffing treedt op 1 juli 2026 in werking en geldt voor alle vrachtwagens, zowel uit binnen- als buitenland. Eigenaren van vrachtwagens gaan een bedrag per gereden kilometer betalen. Door de tijdelijke korting daalt het gemiddelde tarief van € 0,191 naar € 0,148 per kilometer. De verlaging geldt voor alle categorieën vrachtwagens en loopt tot eind 2026.
Een man start in 2011 met de handel in auto's. Hij schrijft zich in bij de KVK en begint vol goede moed. De handel loopt echter niet goed naast zijn drukke baan in loondienst. Al vanaf het eerste jaar lijdt hij verlies. De omzet daalt van bijna € 98.000 in 2011 naar nihil in 2014. In 2016 en 2017 is er opnieuw geen omzet, maar wel kosten. Wanneer zijn vrouw ernstig ziek wordt, stopt de man definitief. Hij erkent achteraf dat de activiteiten voortkwamen uit een hobby en nooit echt goed van de grond zijn gekomen.
De man dient eind 2017 zijn aangifte 2016 in, met een ondernemingsverlies van ruim € 4.500. De inspecteur legt de aanslag op conform de aangifte. Hij vergelijkt de aangifte niet met de aangiften van voorgaande jaren en doet geen nader onderzoek. Vier maanden later draait de Belastingdienst een landelijke query vanuit het project 'bronbeoordeling en starters'. De man komt in die query terecht. Nu pas besluit de inspecteur te onderzoeken of wel sprake is van een bron van inkomen.
Voor een bron van inkomen gelden drie vereisten: deelname aan het economisch verkeer, het oogmerk om voordeel te behalen en de objectieve verwachting dat voordeel redelijkerwijs kan worden behaald. Aan de eerste twee vereisten is voldaan. Maar het hof oordeelt dat een objectieve voordeelverwachting ontbreekt. Vanaf de start in 2011 zijn uitsluitend negatieve resultaten behaald bij een omzet die daalde tot nihil. De activiteiten vormen daarom geen bron van inkomen. De verliezen zijn niet aftrekbaar van het inkomen uit werk en woning.
Een inspecteur moet bij het opleggen van een aanslag de aangifte vergelijken met de gegevens in het dossier, waaronder de aangiften van voorgaande jaren. In die aangiften stond jaar na jaar verlies. De inspecteur had in redelijkheid moeten twijfelen aan de juistheid van het aangegeven ondernemingsverlies. Hij had vóór het opleggen van de aanslag 2016 nader onderzoek moeten doen. Door het nadere onderzoek na te laten begaat hij een ambtelijk verzuim. Dat sluit navordering uit.
Het hof ziet een bevestiging in het feit dat de inspecteur naar aanleiding van de query wél tot onderzoek overging. Die query bevatte dezelfde informatie over de jarenlange verliezen als de aangiften. Zonder afdoende verklaring valt niet in te zien waarom de query wel aanleiding gaf tot onderzoek en de aangiften niet. De navorderingsaanslag 2016 wordt vernietigd. De aanslag 2017 blijft in stand, want die was nog niet definitief opgelegd toen de inspecteur het onderzoek startte.
Op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is een werkgever van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe zijn werkzaamheden behoren. De Regeling Wfsv bevat een bijlage waarin per sector de bijbehorende bedrijfstakken zijn opgesomd. Als een activiteit hier niet bijstaat, dan worden de werkzaamheden ingedeeld bij de sector waarin de werkzaamheden worden verricht die naar de aard het meest overeenkomen. Dit heet assimilatie. Niet de naam van het bedrijf of de cao is bepalend, maar de feitelijke activiteiten.
Een werkgever die spanplafonds plaatst, valt onder de cao afbouw. De Belastingdienst deelt hem toch in bij sector 17: detailhandel en ambachten. De werkgever protesteert. Hij is van mening dat hij hoort bij sector 3: bouwbedrijf. Het hof analyseert de bedrijven in sector 3. Die hebben gemeen dat zij zich richten op de ruwbouw, het constructieve deel van een bouwwerk. Denk aan burgerlijke en utiliteitsbouw, wegenbouw, heiersbedrijven en dakdekkers. Bedrijven die zich richten op afbouw zijn juist ingedeeld bij andere sectoren. Het woningstoffeerdersbedrijf en behangersbedrijf vallen onder sector 17, het schildersbedrijf onder sector 56 en het stukadoorsbedrijf onder sector 57. Dit onderscheid tussen ruwbouw en afbouw blijkt een belangrijk criterium.
De werkgever plaatst spanplafonds: plafonds van gespannen kunststofdoek onder bestaande plafonds. Dat is geen ruwbouw. Het hof ziet juist overeenkomst met het woningstoffeerdersbedrijf. De werkgever bekleedt immers ruimten, in het bijzonder plafonds, met een stof, in dit geval kunststof. De indeling bij sector 17 is daarom terecht.
De werkgever voert aan dat hij onder de cao afbouw valt. Het hof passeert dit argument. Bij de sectorindeling is niet van belang onder welke cao de werkgever valt. Het gaat uitsluitend om de aard van de werkzaamheden. Dit is een belangrijk punt voor werkgevers die denken dat hun cao-indeling automatisch ook hun sectorindeling bepaalt. Dat is niet zo.
De werkgever beroept zich ook nog op het gelijkheidsbeginsel. De Belastingdienst hanteert beleid waarin systeemplafonds wél bij de bouw worden ingedeeld. Waarom spanplafonds dan niet? Het hof oordeelt dat spanplafonds en systeemplafonds verschillende systemen zijn met verschillende werkzaamheden. Van gelijke gevallen is geen sprake. Een beroep op beleid voor vergelijkbare bedrijven slaagt alleen als de werkzaamheden ook echt vergelijkbaar zijn.
Een turboliquidatie is een snelle manier om een bv, nv, stichting of andere rechtspersoon te ontbinden. Dit kan alleen als er geen baten meer in de onderneming zitten. Dat wil zeggen dat de rechtspersoon geen activiteiten meer uitvoert én geen bezittingen meer heeft. Een stichting voor postduivenfokkers wordt in 2017 op deze manier ontbonden. Althans, dat was de bedoeling. De inspecteur legt navorderingsaanslagen op van ruim € 350.000. Kunnen die aanslagen nog wel worden opgelegd aan een rechtspersoon die is opgehouden te bestaan?
De stichting is opgericht in 2012. Haar doel is het bevorderen van het fokken en het beschermen van postduiven. De bestuurders zijn een man, zijn echtgenote en zijn zus. Op 31 december 2017 besluit het bestuur tot ontbinding. Bij de Kamer van Koophandel vult het bestuur formulier 17a in. Daarin staat dat de stichting geen baten heeft. Een vereffening vindt niet plaats.
De stichting dient na de ontbinding nog aangiften vpb in. In de aangifte over 2017 staat € 19.449 aan activa vermeld. Ook in de aangiften over 2018 en 2019 staat dit bedrag, nu als liquide middelen. Dat is opmerkelijk voor een rechtspersoon die zegt geen baten te hebben. De FIOD verstrekt informatie aan de inspecteur en een boekenonderzoek volgt. Op 17 december 2019 legt de inspecteur navorderingsaanslagen vpb op over 2014 en 2015 en een aanslag over 2016. De belastingdeurwaarder betekent de aanslagen aan de bestuurder op het laatst bekende adres.
Het hof oordeelt dat de registratie bij de KVK niet bewijst dat de rechtspersoon daadwerkelijk is opgehouden te bestaan. Die mededeling moet ook juist zijn. Partijen kunnen het vermoeden dat de mededeling juist is, ontzenuwen. De inspecteur slaagt daarin. Uit de aangiften over 2017, 2018 en 2019 blijkt dat de stichting wel degelijk baten had. In 2023 stonden nog steeds twee bankrekeningen op haar naam met een totaalsaldo van ruim € 19.000.
De stichting stelt dat zij een turboliquidatie heeft toegepast. Daarmee staat volgens het hof vast dat het vermogen niet is vereffend. Een turboliquidatie werkt alleen als er werkelijk geen baten zijn. Dat was hier niet het geval. De stichting wist, óf had moeten weten, dat de mededeling aan de Kamer van Koophandel niet juist was. Zij diende immers zelf na de ontbinding nog aangiften vpb in, waarin zij activa vermeldde. Een beroep op het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel slaagt daarom niet. De stichting is ontbonden maar niet opgehouden te bestaan.
Een ontvanger die uitstel van betaling verleent, moet rekening houden met de belangen van derden die aansprakelijk kunnen worden gesteld. Hij mag niet met minder zekerheid genoegen nemen dan hij zou doen als er geen derden aansprakelijk gesteld kunnen worden. Doet hij dat toch, dan verliest hij de bevoegdheid om die derden aan te spreken. De bewijslast ligt bij de ontvanger. Hij moet aantonen dat niet meer zekerheid te krijgen was.
Een transportbedrijf leent personeel in van een uitzendbureau. Het uitzendbureau gaat failliet met onbetaalde belastingschulden. Het uitzendbureau kende al sinds de oprichting in 2015 betalingsproblemen. In 2017 verleent de ontvanger uitstel van betaling voor ruim € 644.000 aan belastingschulden. Hij bedingt zekerheid via een pandrecht op vorderingen en spreekt een betalingsregeling af van € 75.000 per maand. Het uitzendbureau houdt zich aan de regeling tot mei 2018. Dan stoppen de betalingen. De ontvanger trekt het uitstel in en start de dwanginvordering.
In september 2018 legt de ontvanger beslag op de inventaris van het uitzendbureau. Die wordt later verkocht voor nog geen € 8.000. Er volgen gesprekken. Het uitzendbureau biedt een debiteurenlijst van € 4,5 miljoen als zekerheid aan. De ontvanger vraagt om de factoringovereenkomst, maar het uitzendbureau stuurt die niet. Toch accepteert de ontvanger in november 2018 een pandrecht op de vorderingen. Hij vertrouwt op de verklaring van het uitzendbureau dat de vorderingen niet al zijn bezwaard.
Het uitzendbureau komt de betaalafspraken niet na. Er volgt een kort geding. Het uitzendbureau zou € 6,9 miljoen betalen, maar dat blijft uit. De ontvanger maakt het pandrecht openbaar en vraagt het faillissement aan. In maart 2019 is het uitzendbureau failliet. Dan blijkt dat het uitzendbureau al in 2017 een groot deel van haar vorderingen had gecedeerd aan een Luxemburgse vennootschap. Het pandrecht was dus grotendeels waardeloos. In juli 2022 stelt de ontvanger het transportbedrijf aansprakelijk voor ruim € 109.000 aan onbetaalde loon- en omzetbelasting.
De ontvanger wist al in september 2018 van de factoringovereenkomst. Hij heeft die overeenkomst nooit ontvangen, maar toch een pandrecht geaccepteerd. Van een zorgvuldig handelend ontvanger mag worden verwacht dat hij nagaat of de verpander bevoegd is. De verwijzing naar de verklaring van het uitzendbureau is onvoldoende. De ontvanger heeft feitelijk uitstel van betaling verleend zonder adequate zekerheid.
De ontvanger maakt niet aannemelijk dat hij niet met minder zekerheid genoegen heeft genomen dan van hem verwacht mocht worden. Hij heeft ook niet aangetoond dat geen andere zekerheden te bedingen waren. Het hof oordeelt dat de ontvanger de bevoegdheid heeft verloren om het transportbedrijf aansprakelijk te stellen. De beschikking aansprakelijkstelling wordt vernietigd.
Een bv draagt jarenlang Nederlandse btw af voor afstandsverkopen aan Belgische particulieren. Achteraf blijkt dat de omzetdrempel voor afstandsverkopen is overschreden, waardoor de btw in België verschuldigd is. De Belgische Belastingdienst legt naheffingsaanslagen op, die de bv betaalt. De bv dient vervolgens suppletieaangiften in en vraagt de in Nederland afgedragen btw terug. De inspecteur betaalt een bedrag van € 1,4 miljoen terug.
De bv verzoekt vervolgens om vergoeding van invorderingsrente over de terugbetaalde bedragen. De ontvanger wijst dit verzoek af, omdat het niet tijdig is ingediend. De rechtbank verklaart de beroepen van de bv gegrond en kent een rentevergoeding toe. In hoger beroep stelt de ontvanger dat de verantwoordelijkheid voor de juiste btw-afdracht bij de bv zelf ligt. De foutieve toepassing van de regeling voor afstandsverkopen is geheel te wijten aan de bv. Volgens de ontvanger hoeft hij geen invorderingsrente te vergoeden, omdat de belasting niet in strijd met het Unierecht is geheven.
Voor de vraag of belasting in strijd met het Unierecht is geheven, is het arrest 'Dinkelland' relevant, zo oordeelt het hof. Het hof leidt hieruit af dat het wel degelijk van belang is of de ondernemer een verwijt kan worden gemaakt. In deze zaak is niet in geschil dat de aanvankelijk aangegeven en afgedragen btw een vergissing van de bv was en niet te wijten aan de inspecteur. Hoewel 'Dinkelland' over voorbelasting ging, ziet het hof geen reden om een onderscheid te maken. De teruggegeven btw kwalificeert daarom niet als in strijd met het Unierecht geheven belasting. De bv heeft geen recht op vergoeding van invorderingsrente.
Twee broers drijven een koolverwerkingsbedrijf in maatschapsvorm. Op 30 maart 2020 voeren zij een omvangrijke herstructurering door. Ieder richt een persoonlijke holding op en brengt zijn maatschapsaandeel daarin in. De holdings richten vervolgens een gezamenlijke bv op waarin zij ieder 50% van de aandelen houden. De holdings brengen vervolgens hun maatschapsaandeel in die gezamenlijke bv in. Die bv richt op haar beurt een werk-bv op en brengt de onderneming daarin in. Het bedrijfspand met stille reserves blijft achter in de gezamenlijke bv. Dit alles gebeurt op dezelfde dag.
De inspecteur wijst het verzoek om geruisloze omzetting af. De inbreng maakt deel uit van een geheel van rechtshandelingen, gericht op overdracht van de onderneming. De geruisloze omzetting vereist dat de onderneming wordt voortgezet door de entiteit waarin wordt ingebracht. In dit geval is dat de persoonlijke holding, maar die zet de onderneming niet voort. De onderneming belandt uiteindelijk in de werk-bv.
Het Besluit geruisloze omzetting biedt een escape: de dooroverdracht staat niet in de weg aan de faciliteit als sprake is van een fiscale eenheid of een bedrijfsfusie. Bij een belang van 50% is een fiscale eenheid tussen de persoonlijke holding en de gezamenlijke bv echter niet mogelijk. De bedrijfsfusiefaciliteit biedt evenmin soelaas. Door de onmiddellijke doorinbreng bij de holdings is geen sprake van een uit organisatorisch oogpunt onafhankelijke exploitatie. Het achtergebleven bedrijfspand kwalificeert niet als tak van bedrijvigheid.
De broers doen een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Materieel gaat geen belastingclaim verloren. Bovendien heeft hun adviseur verzuimd tijdig een fiscale eenheid aan te vragen. Dat kan hen toch niet worden aangerekend? De rechtbank gaat hier niet in mee. De inspecteur heeft bij de toepassing van het Besluit geruisloze omzetting geen discretionaire bevoegdheid. Het Besluit biedt geen ruimte voor een belangenafweging. De inspecteur toetst alleen of aan de voorwaarden is voldaan. Dat is niet het geval. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt eveneens. Dat de inspecteur de aanslag aan de gezamenlijke bv conform de aangifte heeft opgelegd, kan bij de broers geen vertrouwen wekken.
Een bestuurder van een transportbedrijf wordt aansprakelijk gesteld voor bijna € 730.000 aan onbetaalde loonheffing en omzetbelasting. Hij stelt dat hij tijdig melding van betalingsonmacht heeft gedaan. De rechtbank oordeelt echter dat dit niet het geval is. Het verzoek om corona-uitstel is ingediend op basis van een onjuiste reden. Daarnaast is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Terwijl de belastingschulden oplopen, ontvangt de bestuurder ruim € 470.000 van groepsvennootschappen zonder dat duidelijk is waarvoor.
Het transportbedrijf wordt opgericht in augustus 2020 en groeit snel. De omzet stijgt van € 1,5 miljoen in 2020 naar bijna € 9 miljoen in 2023. Tegelijk blijven aanzienlijke bedragen aan loonheffing en omzetbelasting onbetaald. In januari 2022 vraagt het bedrijf corona-uitstel aan vanwege terugvallende opdrachten. De Belastingdienst verleent dit uitstel, maar trekt het later in, omdat onvoldoende uitleg wordt gegeven over de relatie met corona.
De bestuurder stelt dat het verzoek om corona-uitstel geldt als melding van betalingsonmacht. De rechtbank verwerpt dit standpunt. De opgegeven reden blijkt onjuist in het licht van de sterke omzetgroei. Daardoor geldt het verzoek niet als een geldige melding. Een later verzoek om een betalingsregeling van 1 mei 2023 wordt wel als melding gezien, maar dit is alleen tijdig voor de maanden februari en maart 2023.
Ook voor deze maanden blijft de bestuurder aansprakelijk. De rechtbank oordeelt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De bestuurder is op de hoogte van de belastingschulden en ontvangt hierover meerdere overzichten. Toch blijven aangiften uit of worden te laat ingediend en lopen de schulden verder op. Tegelijkertijd wordt € 3,8 miljoen overgeboekt naar gelieerde vennootschappen. Volgens de bestuurder zijn deze betalingen nodig voor de continuïteit van de groep, maar een groot deel van het geld komt uiteindelijk bij hemzelf terecht.
In drie jaar tijd ontvangt de bestuurder € 723.567 op zijn privérekening vanuit groepsvennootschappen. Hiervan betreft € 253.108 nettoloon. Voor het resterende bedrag van € 470.459 geeft hij geen verklaring. Ook uit bankafschriften blijkt niet waarvoor deze bedragen zijn betaald. De rechtbank acht aannemelijk dat een groot deel van dit bedrag indirect afkomstig is van het transportbedrijf en kwalificeert deze betalingen als onzakelijk.
Opvallend is dat de rechtbank een deel van het beroepschrift buiten beschouwing laat. Het bevat meerdere foutieve en niet-bestaande verwijzingen naar jurisprudentie. De rechtbank laat de stellingen die daarop zijn gebaseerd buiten beschouwing. Het patroon van niet-bestaande arresten met plausibel klinkende vindplaatsen doet denken aan AI-hallucinaties. De rechtbank zegt het niet met zoveel woorden, maar de boodschap is helder: controleer uw bronnen.
Tijdens een rechtszaak komt een man met de inspecteur overeen dat zijn werkelijk rendement in box 3 € 855 bedraagt. Enkele maanden later oordeelt de Hoge Raad dat bij de vaststelling van het werkelijk rendement geen rekening mag worden gehouden met kosten. De inspecteur wil het compromis vervolgens openbreken, maar het hof houdt hem aan de afspraak. Wie een compromis sluit, aanvaardt de kans dat latere jurisprudentie anders uitpakt.
De aanslag IB/PVV 2018 vermeldt een box 3-inkomen van € 147.253. De inspecteur vermindert dat bedrag later naar € 63.621. De man is het daar niet mee eens en gaat in beroep. Tijdens de zitting bij de rechtbank bereiken zij overeenstemming. Zij stellen het werkelijk rendement vast op € 855. De rechtbank vermindert de aanslag dienovereenkomstig en veroordeelt de inspecteur tot betaling van wettelijke rente.
De inspecteur gaat in hoger beroep. Hij stelt dat het overeengekomen bedrag van € 855 inclusief aftrek van bankkosten is berekend. Op 6 juni 2024 oordeelt de Hoge Raad echter dat bij de vaststelling van het werkelijk rendement geen rekening mag worden gehouden met kosten. Volgens de inspecteur moet het werkelijk rendement daarom € 1.738 bedragen in plaats van € 855.
Het hof houdt de inspecteur aan de afspraak. De man en de inspecteur wilden het geschil afronden en onzekerheid voorkomen. Daarmee hebben zij een bindende afspraak gesloten. De inspecteur heeft niet aangevoerd dat deze afspraak nietig of vernietigbaar is. Door akkoord te gaan, heeft hij ook het risico geaccepteerd dat latere rechtspraak anders zou uitpakken.
Op één punt krijgt de inspecteur wel gelijk. De rechtbank had bepaald dat hij wettelijke rente moest betalen over de periode tussen betaling en teruggaaf. Het hof vernietigt dit deel van de uitspraak. Volgens de Hoge Raad biedt de vermindering van belasting al voldoende herstel, ook zonder rente. Alleen als de rente hoger is dan de vermindering, geldt een uitzondering. Daarvan is hier geen sprake.
Deze uitspraak bevestigt dat een compromis bindend is, ook als latere rechtspraak een gunstigere uitkomst oplevert. Dat geldt voor beide partijen. Wie zekerheid koopt, aanvaardt de kans dat het achteraf anders had gekund.
Een bv ontvangt € 3,5 miljoen dubbel terug na een jarenlange procedure over verliesverrekening. Het systeem van de Belastingdienst 'vergeet' dat de voorlopige teruggaven al eerder waren teruggevorderd. De inspecteur corrigeert de fout via navorderingsaanslagen. De bv stelt dat navordering op een verliesverrekeningsbeschikking niet mogelijk is. De rechter oordeelt anders. Een automatiseringsfout bij verliesverrekening kan worden hersteld via navordering.
De bv doet in 2011 aangifte vpb 2010 met een verlies van € 17,3 miljoen. Zij vraagt voorlopige verliesverrekening (carry-back) naar de jaren 2007, 2008 en 2009. De inspecteur verleent voorlopige teruggaven van in totaal € 3,5 miljoen. In 2014 legt de inspecteur de definitieve aanslag 2010 op naar een positief belastbaar bedrag. Hij accepteert het verlies niet en vordert de voorlopige teruggaven terug via die aanslag. De bv gaat in beroep en krijgt na een procedure tot aan de Hoge Raad in 2022 alsnog gelijk.
De inspecteur moet nu alsnog definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen afgeven. Een medewerker voert het verlies in het systeem in. Het systeem maakt automatisch beschikkingen aan, maar houdt geen rekening met het feit dat de voorlopige teruggaven al waren teruggevorderd in 2014. Resultaat: de bv ontvangt opnieuw € 3,5 miljoen. Uit een interne e-mail blijkt dat de medewerker niets kon aanpassen aan de verrekening van de voorlopige teruggaven. Het systeem bevatte die informatie niet meer.
De inspecteur kan in deze zaak niet navorderen op grond van een nieuw feit. De inspecteur wist immers wat er was gebeurd. Hij wijkt daarom uit naar navordering wegens een kenbare fout. De bv stelt dat een verliesverrekeningsbeschikking geen belastingaanslag is en dat navordering langs die weg niet mogelijk is. De rechtbank verwerpt dit.
De bv stelt verder dat sprake is van een beoordelingsfout die niet via navordering kan worden hersteld. De rechtbank oordeelt anders. De fout is veroorzaakt door de geautomatiseerde verwerking, niet door een onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of het recht. Dat de betrokken medewerkers het probleem onderkenden maar niet handmatig konden ingrijpen, maakt dit niet anders. De fout was bovendien kenbaar voor de bv: zij ontving € 3,5 miljoen dubbel.
De rechtbank verwijst naar de parlementaire geschiedenis. Fouten als gevolg van de geautomatiseerde werkwijze behoren niet geheel voor rekening van de Belastingdienst te blijven. Het financiële gewin van een individuele belastingplichtige bij een kenbare fout mag niet worden afgewenteld op de samenleving. De navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd.
Een gemachtigde dient hoger beroep in met een twee jaar oude doorlopende volmacht. Het hof vraagt om een recente machtiging. De gemachtigde weigert dit en wordt vervolgens niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad oordeelt dat de bestuursrechter altijd om een recente machtiging mag vragen. Hij hoeft daarvoor geen aanwijzingen te hebben dat de eerdere volmacht is geëindigd. De Hoge Raad komt hiermee terug van een arrest uit 2013.
Een no-cure-no-pay-bureau dient hoger beroep in tegen een WOZ-beschikking voor 2022. Bij het hogerberoepschrift overlegt het bureau een machtiging van 28 februari 2022. Die machtiging is in algemene termen geformuleerd. De belanghebbende machtigt medewerkers van het bureau om hem te vertegenwoordigen in ‘alle zaken betreffende de aanslag lokale belastingen en de daarop vermelde WOZ-beschikking(en)’. Het hof twijfelt of het bureau bevoegd is om de belanghebbende te vertegenwoordigen. Die twijfel baseert het hof op het tijdsverloop sinds de machtiging en op het algemene karakter ervan.
Het hof vraagt om een recente machtiging. Het bureau krijgt daartoe tweemaal de gelegenheid. Uiteindelijk stuurt het een machtiging van 18 maart 2024. Die is weliswaar recent, maar ziet op de WOZ-beschikking 2024, terwijl het geschil de WOZ-beschikking 2022 betreft. Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het bureau gaat in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat de bestuursrechter eisen mag stellen aan de machtiging. Hij mag vragen om een recente machtiging. Hij mag ook vragen om een machtiging die dateert van ná de bestreden uitspraak of die specifiek ziet op de procedure bij zijn gerecht. Daarvoor is niet vereist dat de rechter aanwijzingen heeft dat de eerdere volmacht is geëindigd. De Hoge Raad komt hiermee uitdrukkelijk terug van zijn arrest uit 2013.
De Hoge Raad motiveert zijn koerswijziging als volgt. De bepalingen over volmacht uit het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn buiten het vermogensrecht slechts van overeenkomstige toepassing voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Uit de parlementaire toelichting blijkt dat men met overeenkomstige toepassing op procesrechtelijke rechtshandelingen "uitermate voorzichtig" moet zijn. Dat rechtvaardigt dat de rechter strengere eisen stelt dan het BW voorschrijft.
De Hoge Raad benadrukt dat deze regels gelden in bezwaar, beroep, hoger beroep én cassatie. Wie als gemachtigde optreedt, doet er goed aan te zorgen voor een actuele en specifieke machtiging. Een doorlopende volmacht van jaren geleden volstaat niet zonder meer.
Een ambtenaar koopt jarenlang privégoederen op kosten van zijn werkgever. Hij schakelt daarbij een kantoorinrichtingsbedrijf in als doorgeefluik. Dat bedrijf betaalt de leveranciers, factureert door aan de gemeente met een opslag en trekt de btw op de inkoopfacturen af. De inspecteur weigert de aftrek en heft de aan de gemeente gefactureerde btw na. Hof 's-Hertogenbosch geeft de inspecteur gelijk. Het bedrijf is geen afnemer van de leveranciers en kan de ten onrechte gefactureerde btw niet herzien.
De ambtenaar is hoofd interne diensten bij een gemeente. In die functie kan hij inkoopopdrachten verstrekken en facturen betaalbaar stellen. Hij maakt daar op grote schaal misbruik van. Hij bestelt privégoederen bij leveranciers en laat de facturen richten aan een kantoorinrichtingsbedrijf dat vaste leverancier is van de gemeente. Vervolgens vraagt hij dat bedrijf de facturen te betalen, een nieuwe factuur op te maken met een opslag van ongeveer 10% en die aan de gemeente te sturen. Hij verstrekt daarvoor opdrachtbevestigingen met vage omschrijvingen als ‘gedane werkzaamheden’ of ‘geleverde materialen’. Over de jaren 2013 tot en met 2016 gaat het om ruim € 862.000.
Het hof oordeelt dat het bedrijf geen afnemer is van de leveranciers. De ambtenaar heeft zelf contact gelegd met de leveranciers en de overeenkomsten gesloten. Het bedrijf was slechts betrokken bij de administratieve en financiële afhandeling. Dat maakt het bedrijf geen commissionair. De tussenkomst ziet immers niet op de totstandkoming van de prestaties, maar op de afwikkeling van prestaties die al tot stand waren gekomen. Het bedrijf heeft daarom geen recht op aftrek van de btw die de leveranciers in rekening hebben gebracht.
Het bedrijf heeft de gemeente btw in rekening gebracht terwijl het zelf geen prestaties heeft verricht. Die btw moet zij op grond van de wet afdragen. Het hof wijst het verzoekt om herziening van die btw af. Het bedrijf heeft de facturen niet gecorrigeerd. Als de btw zou worden herzien, zou het bedrijf die btw als opbrengst verkrijgen, terwijl het aan de gemeente kenbaar had gemaakt dat de btw op aangifte zou worden voldaan. Dat levert ongerechtvaardigde verrijking op.
Het resultaat is een zware financiële last voor het bedrijf: geen aftrek van voorbelasting en tegelijk afdracht van de aan de gemeente gefactureerde btw. Bovendien eist de gemeente een schadevergoeding in een civiele procedure. Het hof geeft de inspecteur in overweging een eventuele schadevergoeding aan de gemeente in mindering te brengen op de naheffingsaanslag. Voor dat bedrag is dan immers geen sprake meer van ongerechtvaardigde verrijking. Tot een compromis is het echter niet gekomen.
Een dga stelt dat zijn bv structureel verlies lijdt en dat daarom geen gebruikelijk loon in aanmerking hoeft te worden genomen. Hof Amsterdam gelooft hem niet. De aangiften vennootschapsbelasting (vpb) tonen jarenlang kosten die nagenoeg exact gelijk zijn aan de omzet. Dat is zonder nadere toelichting onwaarschijnlijk. Bovendien ontbreken banksaldi en eigen vermogen op de balansen, terwijl de bv wel een bankrekening heeft.
De bv verhuurt onroerend goed. De dga is enig aandeelhouder en bestuurder. Hij verricht werkzaamheden voor de bv, waaronder het aangaan van huur- en koopovereenkomsten. De bv heeft zich niet aangemeld als inhoudingsplichtige en heeft geen aangiften loonheffingen ingediend. De dga ontvangt wel loon via een payrollbedrijf, maar die loonkosten zijn niet doorberekend aan de bv. De inspecteur legt een naheffingsaanslag op van € 13.210, gebaseerd op een gebruikelijk loon van € 28.125 over 2017 en 2018 gezamenlijk. Daarbij past de inspecteur een deeltijdfactor van 50% toe.
De bv stelt dat zij in de betreffende jaren geen winst heeft behaald en dat op die grond geen gebruikelijk loon in aanmerking hoeft te worden genomen. De omzet schommelt volgens de bv al jaren rond de € 17.000. De inspecteur betwist dit. Uit de aangiften vennootschapsbelasting over 2019 tot en met 2024 blijkt dat de omzet beduidend hoger is: tussen de € 25.000 en € 66.000 per jaar.
Het hof oordeelt dat de bv niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een langdurige verliessituatie. In de aangiften vennootschapsbelasting over 2019 tot en met 2024 zijn de kosten telkens nagenoeg gelijk aan de omzet. Dat is zonder adequate toelichting van de bv op z’n minst genomen onwaarschijnlijk. Bovendien bevatten de balansen geen banksaldi, terwijl vaststaat dat de bv wel een bankrekening heeft. Ook ontbreekt een eigen vermogen op de balansen. De bv heeft voor deze constateringen geen adequate verklaring gegeven.
De inspecteur loonheffingen heeft telefonisch contact gehad met de inspecteur vpb. Die verklaarde dat bij de aanslagen vpb over 2019, 2020 en 2021 de door de bv opgevoerde kosten afdoende onderbouwing missen. De inspecteur heeft daarom in elk van die jaren een gebruikelijk loon als kosten in aanmerking genomen. Daarvan uitgaande is een structureel verlies voor die jaren niet aannemelijk geworden.
Deze uitspraak laat zien dat een beroep op een structurele verliessituatie om het gebruikelijk loon te verlagen een goede onderbouwing vereist. Aangiften waarin de kosten telkens exact gelijk zijn aan de omzet roepen vragen op. Incomplete balansen versterken het wantrouwen.
Een krantenbezorger rijdt jaarlijks ruim 20.000 kilometer met zijn eigen auto, zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. In zijn aangifte brengt hij 40 cent per kilometer in aftrek. De inspecteur staat slechts 19 cent toe. De bezorger distribueert kranten naar depots en bezorgt kranten aan huis. In 2018 rijdt hij hiervoor 20.916 kilometer met zijn privéauto. Hij ontvangt geen kilometervergoeding. In zijn aangifte brengt hij € 8.367 aan autokosten in aftrek, gebaseerd op 40 cent per kilometer volgens de ANWB-tool. Dat bedrag is volgens hem eigenlijk nog te laag, omdat krantenbezorging door het vele starten en stoppen tot extra slijtage leidt.
De bezorger beroept zich op het Convenant Uitgeefsector, waarin staat dat de werkelijk gemaakte kosten in aanmerking moeten worden genomen. Het hof gaat hier niet in mee. Die bepaling geldt voor opdrachtgevers, niet voor opdrachtnemers. Voor de inkomstenbelasting maximeert de wet de aftrek, voor een tot het privévermogen behorend vervoermiddel, op 19 cent per kilometer. Het doet er niet toe dat de werkelijke kosten hoger zijn. De aftrek blijft beperkt tot € 3.974.
De bezorger beroept zich ook op het vertrouwensbeginsel. De inspecteur heeft in een eerdere procedure over 2017 zijn aangifte gevolgd. Het hof gaat hier evenmin in mee. De inspecteur heeft destijds expliciet verklaard: ‘Voor dit jaar wil ik de kosten accepteren. Omdat het doorspeelt naar volgende jaren, kunnen er geen rechten aan deze toezegging worden ontleend’. Aan die uitlating kan de bezorger geen vertrouwen ontlenen voor latere jaren.
Deze uitspraak illustreert twee punten. Ten eerste past de rechter de wettelijke maximering van de kilometervergoeding strikt toe, ongeacht de werkelijke kosten. Ten tweede voorkomt een expliciet voorbehoud bij een toezegging dat de belastingplichtige daaraan vertrouwen kan ontlenen voor latere jaren.
Een bv heeft over de jaren 2019 tot en met 2021 geen aangiften vpb gedaan. De bv stelt dat dit komt doordat aangifte alleen mogelijk is met eHerkenning. De hiervoor verschuldigde kosten kan zij niet betalen. De inspecteur legt hierop ambtshalve nihilaanslagen vpb op voor deze jaren en een verzuimboete van € 2.757 voor het jaar 2021.
Kosten van eHerkenning zijn niet van een zodanige omvang dat zij onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de staatssecretaris van Financiën met de invoering van eHerkenning nastreeft. Zolang de bv bestaat moet zij jaarlijks, met gebruik van eHerkenning, aangifte vpb doen. De bv heeft bovendien niets aangevoerd over geleden verliezen in de betreffende jaren. De beroepen tegen de nihilaanslagen zijn daarom ongegrond.
De bv erkent dat zij de aangiften vpb over de jaren 2019 tot en met 2021 niet (tijdig) heeft gedaan. Het opleggen van een verzuimboete voor het jaar 2021 is dan ook terecht gebeurd. De rechtbank vermindert de verzuimboete wel in verband met de financiële omstandigheden van de bv. De boete wordt daarom eerst verminderd tot € 500.
De boete wordt verder verminderd in verband met 'undue delay', oftewel de overschrijding van de redelijke termijn. Sinds de aankondiging van de boete zijn ruim 42 maanden verstreken. De redelijke termijn van twee jaar is daarmee met 18 maanden overschreden. De boete wordt gematigd met 15% tot € 425.
Een vrouw ontvangt een AOW-uitkering van slechts € 328 per jaar. Daarnaast ontvangt zij ruim € 26.000 aan Duits pensioen. Door die minimale AOW is zij in Nederland verzekerd voor de Zorgverzekeringswet (Zvw). De Zvw-heffing wordt berekend over haar volledige inkomen, inclusief het Duitse pensioen. Zij vraagt de SVB om de AOW met terugwerkende kracht stop te zetten, maar dient haar bezwaar te laat in. De belastingrechter kan haar niet helpen.
De vrouw woont in Nederland en ontvangt pensioen uit Duitsland. In 2007 verleent de SVB haar ontheffing van de verplichte verzekering voor de AOW, de Algemene nabestaandenwet en de Algemene Kinderbijslagwet. Die ontheffing geldt echter niet voor de AWBZ en evenmin voor de Zvw. Zij ontvangt een kleine AOW-uitkering van € 328 per jaar. Die uitkering maakt haar verzekeringsplichtig voor de Zvw. De inspecteur legt een aanslag Zvw op over een bijdrage-inkomen van € 26.258, het totaal van haar Duitse pensioenuitkeringen.
De vrouw vraagt de SVB om de AOW-uitkering te beëindigen. De SVB stopt de uitkering per 1 december 2023, maar weigert terugwerkende kracht tot 2019. De vrouw maakt bezwaar tegen die weigering, maar dient het bezwaar te laat in. De rechtbank verklaart haar beroep ongegrond. Vervolgens wendt zij zich tot de belastingrechter met het verzoek om de SVB op te dragen de uitkering alsnog met terugwerkende kracht stop te zetten.
De vrouw stelt ook dat de inspecteur haar had moeten wijzen op de mogelijkheid om bij de SVB ontheffing te vragen. Het hof verwerpt dit. De inspecteur heeft haar gemachtigde al op 23 oktober 2023 per e-mail geadviseerd om de SVB te vragen de verzekeringsplicht stop te zetten en te vragen of de ontvangen AOW-uitkering terugbetaald kan worden. Dat was ruim vóór de aanslag van 28 november 2023. Van een tekortkoming in de voorlichtende taak is dan ook geen sprake.
Het hof oordeelt dat de aanslag Zvw rechtmatig is. De vrouw is verzekerd, dus is zij de bijdrage verschuldigd. Het hof is als belastingrechter niet bevoegd om de SVB op te dragen de verzekeringsplicht met terugwerkende kracht stop te zetten. Tegen beslissingen van de SVB staan rechtsmiddelen open bij de algemene bestuursrechter. De vrouw heeft die route bewandeld, maar haar bezwaar was te laat.
Deze uitspraak illustreert hoe een kleine AOW-uitkering grote fiscale gevolgen kan hebben. Door de verzekeringsplicht die voortvloeit uit die uitkering wordt het volledige buitenlandse pensioen in de Zvw-heffing betrokken. Wie dat wil voorkomen, moet tijdig actie ondernemen bij de SVB. Een te laat ingediend bezwaar sluit de deur naar een inhoudelijke beoordeling.
Een vrouw moet haar huurtoeslag over 2021 terugbetalen, omdat haar box 3-vermogen te hoog is. Om haar vermogen te verlagen, probeert zij vooruitbetaalde zorgpremies als schuld op te voeren.
Voor het jaar 2021 doet de vrouw aangifte met een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil, gebaseerd op bezittingen van € 36.342 en geen aftrekbare schulden. De definitieve aanslag wordt conform deze aangifte opgelegd. Later ontvangt zij de definitieve berekening van haar huurtoeslag over 2021, die op € 0 wordt vastgesteld, omdat haar vermogen te hoog is. Voor alleenstaanden geldt in 2021 een vermogensgrens van € 31.340 voor de huurtoeslag.
De vrouw dient een bezwaar in. Zij wil een DUO-schuld van € 4.671 en een creditcardschuld van € 1.952 in aanmerking nemen. Later voegt zij hieraan een schuld van € 1.805 toe voor de vooruitbetaalde zorgverzekeringspremies voor 2021. De vrouw heeft in 2020 toegezegd de premie voor 2021 ineens te betalen. De inspecteur verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk, behandelt het als verzoek om ambtshalve vermindering en neemt de DUO- en creditcardschuld mee (na toepassing van de schuldendrempel), maar de zorgpremies niet. De rendementsgrondslag wordt vastgesteld op € 32.909. Nog steeds boven de vermogensgrens voor de huurtoeslag.
De rechtbank oordeelt dat voor een box 3-schuld is vereist dat deze op de peildatum (1 januari 2021) bestaat en een waarde in het economische verkeer heeft. Op 1 januari 2021 bestaat er, ondanks de toezegging, nog geen verplichting tot betaling van de zorgpremies. Bovendien vormt de zorgverzekering een samenhangend geheel van rechten en verplichtingen (premie versus dekking). Zolang het recht op dekking en de verplichting tot betaling beide bestaan, vertegenwoordigt dit per saldo geen waarde in het economische verkeer. De vooruitbetaalde zorgpremie is daarom geen aftrekbare schuld in box 3. De rechtbank ziet geen aanleiding om de wettelijke box 3-regels, inclusief de schuldendrempel, buiten beschouwing te laten vanwege de invloed op toeslagen.
Via het toeslagenstelsel wordt jaarlijks ruim € 20 miljard uitgekeerd aan circa 10 miljoen mensen in Nederland. Het stelsel is complex. De gevolgen van veranderingen in de leefsituatie op het recht op toeslagen zijn niet altijd te overzien. Enkele van de meest prangende knelpunten in het huidige toeslagstelsel doen zich voor binnen het partnerbegrip voor de toeslagen (toeslagpartnerbegrip). De staatssecretaris van Financiën stelt voor om per 1 januari 2027 het toeslagpartnerbegrip te vereenvoudigen.
Het criterium dat twee meerderjarigen op hetzelfde adres met een minderjarig kind van een van hen als toeslagpartner aanmerkt, komt te vervallen. Dit leidde vaak tot ongewenste partnerschappen, bijvoorbeeld bij mantelzorgers of woningdelers. Naar schatting 10.000 burgers worden hierdoor niet langer onbedoeld als toeslagpartner aangemerkt. Zij ontvangen in de nieuwe situatie dezelfde toeslagen als alleenstaanden, wat duizenden euro's per jaar kan schelen. Dit vereenvoudigt het toeslagpartnerbegrip voor burgers en de Dienst Toeslagen.
Het criterium, dat mensen als toeslagpartner aanmerkt omdat zij in een kalenderjaar elkaars toeslagpartner waren en in het daaropvolgende jaar op hetzelfde adres wonen, wordt geschrapt. Ook het criterium dat mensen, die een deel van het jaar toeslagpartner zijn, voor de rest van dat jaar als partner worden aangemerkt, komt te vervallen.
De uitzondering, die ontheemden uit Oekraïne niet als medebewoner voor de huurtoeslag aanmerkt, komt te vervallen. Vanaf 1 januari 2027 tellen hun inkomen en vermogen mee bij de berekening van de huurtoeslag van het gasthuishouden. Dit normaliseert hun juridische positie en sluit aan bij het streven dat zij naar vermogen meedoen en meebetalen.
Voortaan ontstaat geen toeslagpartnerschap wanneer ten minste één van de partners minderjarig is. Dit voorkomt financiële problemen voor minderjarige ouders die anders de alleenstaande ouderkop in het kindgebonden budget zouden mislopen. Zodra de jongere partner meerderjarig wordt en zij nog samenwonen, ontstaat alsnog een toeslagpartnerschap.
Ter dekking van de kosten van de vereenvoudigingsmaatregelen worden de vermogensgrenzen voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget verlaagd. Per 1 januari 2027 dalen deze grenzen met bijna € 30.000. Deze verlaging raakt ongeveer 50.000 huishoudens die hierdoor hun recht op één of beide toeslagen verliezen.
Een consulente sluit in 2011 een overeenkomst met een relatiebureau voor bemiddelingsdiensten, waarvoor zij een provisie ontvangt. Zij geeft haar inkomsten, variërend van € 11.705 (2016) tot € 17.023 (2019), aan als winst uit onderneming. Na een boekenonderzoek concludeert de inspecteur dat de inkomsten als loon uit (fictieve) dienstbetrekking moeten worden gekwalificeerd.
Het hof oordeelt dat de consulente onvoldoende zelfstandigheid en ondernemersrisico bezit. De consulente is verplicht de formulieren en betalingsafspraken van het bureau te gebruiken. Bij afwezigheid moet zij vervanging regelen via een andere consulent van het bureau. Verder is er geen bewijs van onderhandeling over de provisie. Bovendien heeft de consulente slechts één opdrachtgever, een overeenkomst voor onbepaalde tijd en geen aantoonbaar debiteuren- of investeringsrisico. Ook treedt zij niet naar buiten als ondernemer. De inkomsten kwalificeren daarom niet als winst uit onderneming.
Het hof concludeert dat er sprake is van een fictieve dienstbetrekking. De consulente verleent tegen beloning structureel bemiddeling om overeenkomsten tussen cliënten en het relatiebureau tot stand te brengen. De consulente werkt exclusief voor het bureau, wordt niet bijgestaan door anderen en haar inkomsten (provisie) zijn direct gekoppeld aan haar bemiddelingsactiviteiten. De navorderingsaanslagen zijn terecht.
Het kabinet heeft een aantal maatregelen aangekondigd in verband met gestegen energiekosten. Anders dan door velen gevraagd, komt er geen verlaging van de accijnzen op brandstoffen.
In plaats daarvan wil het kabinet de maximale onbelaste reiskostenvergoeding met terugwerkende kracht tot 1 januari verhogen van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Wil deze maatregel effect hebben, dan heeft het kabinet de medewerking van werkgevers nodig. De verhoging van de onbelaste vergoeding zou een prijsstijging van circa 30 cent per liter brandstof moeten compenseren.
Per 1 juli wordt de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s van ondernemers voor een half jaar gehalveerd. Voor vrachtauto’s gaat in die periode een nihiltarief gelden.
De garantieregeling ondernemersfinanciering (GO) wordt met vijf jaar verlengd, terwijl het borgstellingsdeel van het Borgstellingskrediet MKB (BMKB) voor de duur van een jaar wordt verhoogd.
Voor de visserijsector komt in het derde kwartaal een energie-efficiëntieregeling. Het kabinet maakt hiervoor € 25 miljoen vrij op de begroting van het ministerie van LVVN.
Er wordt versneld geld uit het Klimaat- en Energiefonds overgeheveld om het MKB te ondersteunen bij het nemen van energiebesparende maatregelen. De Energie-investeringsaftrek (EIA) wordt per 1 januari 2027 verhoogd van 40% naar 45,5%.
Om de verduurzaming van woningen te versnellen maakt het kabinet geld vrij voor het Warmtefonds en voor het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. Ook wordt er in 2027 geld vrijgemaakt voor de Subsidieregeling verduurzaming verenigingen van eigenaars (SVVE). Via het Nationaal Warmtefonds kunnen woningeigenaren een lening krijgen om hun woning te verduurzamen, ongeacht de hoogte van hun inkomen.
Er komt een noodfonds energie voor mensen met een laag inkomen en een hoge energierekening. De hoogte van de steun wordt gekoppeld aan de hoogte van de energieprijzen.
In het vierde kwartaal van 2026 komt er een inruilregeling voor oude fossiele brandstofauto’s. Deze regeling is een subsidie op de aanschaf van een gebruikte elektrische auto. De ingeruilde auto wordt vervolgens gesloopt. Deze regeling is bedoeld voor lagere inkomens.
Tijdens de behandeling van de plannen in de Tweede Kamer heeft het kabinet het voorstel overgenomen om voor de zomermaanden een dalurenkaart voor het openbaar vervoer toe te voegen. Daarmee is het mogelijk om tegen een vast tarief per maand onbeperkt te reizen buiten de spitsuren.
Deze maatregelen worden bekostigd door de afschaffing van de startersaftrek voor beginnende ondernemers en door versobering van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA). Verder wordt de accijns op alcoholhoudende dranken voortaan jaarlijks geïndexeerd. De maatregelen voor energiebesparing en de inruilregeling voor fossiele brandstofauto’s worden gefinancierd uit het Klimaat- en Energiefonds.
Een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking bouwt een nieuw complex met productieruimten. In die ruimten maken cliënten goederen voor de verkoop, zoals vogelhuisjes, tassen en bakkerijproducten. Ook verrichten zij diensten aan derden, zoals verpakkingswerk. De instelling wil de btw op de bouwkosten volledig aftrekken.
De inspecteur gaat niet mee in volledige aftrek. De productieruimten worden niet alleen gebruikt voor belaste verkoop, maar ook voor de dagbesteding van cliënten. Die dagbesteding is een vrijgestelde prestatie waarvoor de instelling een vergoeding ontvangt uit publieke middelen. Er is dus sprake van gemengd gebruik. De inspecteur staat daarom slechts 4% btw-aftrek toe, berekend naar de verhouding tussen belaste en vrijgestelde omzet.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur wettelijk gezien gelijk heeft. Echter, in 2007 heeft de instelling de Belastingdienst gevraagd om bevestiging van haar werkwijze. Zij stuurde daarbij een overzicht mee van al haar locaties met de gehanteerde aftrekpercentages. Voor de productielocaties hanteerde zij 100% aftrek. In 2009 heeft de Belastingdienst een boekenonderzoek uitgevoerd. In het controlerapport staat: "Op basis van bovengenoemde specificaties en de gepresenteerde cijfers wordt toegestaan dat de toegepaste percentages bij ongewijzigde omstandigheden tot nadere afspraak worden gehanteerd."
De rechtbank honoreert het beroep op het vertrouwensbeginsel. Relevant voor dit oordeel is dat de activiteiten sinds 2009 niet zijn veranderd. Het enige verschil is dat de productielocaties nu worden samengevoegd in één nieuw complex. De rechtbank verwerpt de stelling van de inspecteur dat de afspraak uit het boekenonderzoek niet geldt voor nieuwe gebouwen. Als de inspecteur had willen voorkomen dat de afspraak zou gelden voor nieuwe investeringen, had hij een duidelijk voorbehoud moeten maken. Dat heeft hij niet gedaan en daarnaast is de afspraak nooit opgezegd. De instelling mag de btw op de bouwkosten van de productieruimten daarom volledig aftrekken.
Een fiscale eenheid groeit in de loop der jaren flink. Na uitbreiding met een winstgevende vennootschap wil de moedermaatschappij oude verliezen verrekenen. De Belastingdienst weigert dat. Volgens de inspecteur moet je eerst kijken naar het resultaat van de oorspronkelijke groep vennootschappen. Die groep maakt als geheel verlies, dus is er geen ruimte voor verliesverrekening. De rechter is het daar niet mee eens.
De moedermaatschappij vormt sinds 2015 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Die fiscale eenheid wordt in de loop der jaren meermalen uitgebreid. In 2016 komt er een andere bestaande fiscale eenheid bij. In 2017 lijdt de gecombineerde groep een fors verlies van ruim € 550 miljoen. In 2019 voegt de moedermaatschappij opnieuw vennootschappen toe aan de fiscale eenheid. Een van de vennootschappen blijkt bijzonder winstgevend. In 2020 maakt de hele fiscale eenheid een winst van € 202 miljoen. Die winst komt vrijwel volledig van de in 2019 toegevoegde vennootschap.
De moedermaatschappij wil het verlies uit 2017 verrekenen met de winst van 2020. Dat kan alleen met winst die toerekenbaar is aan de vennootschappen die in 2017 al tot de fiscale eenheid behoorden. De moedermaatschappij maakt zelf in 2020 echter verlies. De andere vennootschappen uit 2017 maken samen wel winst. De moedermaatschappij brengt haar eigen verlies in mindering op de winst van de in 2019 gevoegde vennootschap. Zo blijft de winst van de andere vennootschappen uit 2017 beschikbaar voor verrekening met het verlies uit 2017. De inspecteur accepteert deze werkwijze niet.
De inspecteur past de zogenoemde clusterbenadering toe. Die benadering houdt in dat je alle vennootschappen die in 2017 tot de fiscale eenheid behoorden, als één geheel beziet. Dat cluster maakt in 2020 per saldo verlies. Er is dus geen winst beschikbaar om het verlies uit 2017 mee te verrekenen. De inspecteur baseert zich op een beleidsbesluit uit 2024. De moedermaatschappij gaat in beroep.
De rechtbank volgt de inspecteur niet. Het Besluit Fiscale Eenheid schrijft de clusterbenadering niet dwingend voor. Het woord 'ook' laat ruimte voor een andere benadering. De toelichting beperkt de clusterbenadering tot de vraag of sprake is van voorvoegingsverliezen. Zij strekt zich niet uit tot de bepaling van de voor verrekening vatbare winst in het jaar van verrekening. Een voorbeeld uit de parlementaire geschiedenis ondersteunt die uitleg.
Het doel van horizontale verliesverrekening is te voorkomen dat meer verlies wordt verrekend dan de winst die bij de fiscale eenheid tot uitdrukking komt. De benadering van de moedermaatschappij voldoet aan die eis. Zij verrekent niet meer dan de winst van de fiscale eenheid. Van ongeoorloofde kruislingse verliesverrekening is geen sprake. Het beleidsbesluit uit 2024 dateert van na het belastingjaar 2020 en kan de inspecteur niet helpen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Het belastbaar bedrag daalt van € 197 miljoen naar € 59,5 miljoen. De verliesverrekeningsbeschikking wordt vastgesteld op € 142 miljoen in plaats van € 4,5 miljoen. De inspecteur kan nog in hoger beroep.
Een autohandelaar koopt honderden gebruikte auto's van twee leveranciers. Die leveranciers factureren de auto's als marge-auto's. De autohandelaar past daarom de margeregeling toe en draagt alleen btw af over zijn winstmarge. De inspecteur stelt dat de auto's helemaal geen marge-auto's zijn en legt een naheffingsaanslag op van € 3,5 miljoen.
De margeregeling is een bijzondere btw-regeling voor handelaren in gebruikte goederen. Normaal gesproken berekent een ondernemer btw over de volledige verkoopprijs. Bij de margeregeling berekent hij alleen btw over zijn winstmarge: het verschil tussen in- en verkoopprijs. Dat scheelt flink. Die regeling mag echter alleen worden toegepast als de auto afkomstig is van iemand die zelf geen btw kan aftrekken. Denk aan een particulier of een vrijgestelde ondernemer. Als de auto afkomstig is van een btw-ondernemer, die wel recht heeft op aftrek, is de margeregeling niet van toepassing. Dan moet btw worden berekend over de volledige verkoopprijs.
In de autobranche worden auto's soms ten onrechte als marge-auto gefactureerd, terwijl ze dat eigenlijk niet zijn. Dat heet in de branche transformeren. Een Duitse leasemaatschappij verkoopt een auto met btw aan een tussenhandelaar. Die tussenhandelaar factureert de auto vervolgens door als marge-auto, zonder btw. De koper past de margeregeling toe en draagt alleen btw af over zijn winstmarge. De btw over de inkoopprijs verdwijnt zo uit het zicht. De autohandelaar in deze zaak kocht tussen 2020 en 2023 honderden auto's van twee leveranciers. Die leveranciers factureerden vrijwel alle auto's als marge-auto's.
Bij 134 auto's beschikte de autohandelaar over de Duitse kentekenpapieren en verzorgde hij zelf de bpm-aangifte. Bij 227 andere auto's had hij die papieren niet. De rechtbank oordeelt dat dit onderscheid beslissend is. Bij de eerste groep kon de autohandelaar op de Duitse papieren zien dat de auto's eerder in handen waren van Duitse rechtspersonen. Dat had hem moeten alarmeren. Rechtspersonen zijn vaak btw-ondernemers die recht op aftrek hebben. In combinatie met zijn jarenlange ervaring in de branche had hij nader onderzoek moeten doen. Dat heeft hij niet gedaan. De naheffing voor deze 134 auto's blijft in stand.
Voor de andere 227 auto's oordeelt de rechtbank anders. De autohandelaar had bij deze auto's alleen de facturen van zijn leverancier. Hij beschikte niet over de Duitse papieren. De rechtbank vindt de overige omstandigheden onvoldoende om voor al deze auto's een onderzoeksplicht aan te nemen. De autohandelaar mocht afgaan op de facturen van zijn leveranciers. Hij wordt voor deze auto's gevrijwaard van naheffing.
Wie dividendbelasting inhoudt, moet die ook afdragen. Het argument dat de belasting materieel niet verschuldigd is, helpt niet. Dat verweer had de bv moeten voeren door bezwaar te maken tegen haar eigen afdracht, niet door de afdracht simpelweg achterwege te laten.
Een Nederlandse bv maakt deel uit van een internationale structuur. Via een Luxemburgse vennootschap ontvangt zij dividenden van € 300 miljoen. Die dividenden keert zij vrijwel volledig uit aan een Britse vennootschap. Op papier houdt de bv 15% dividendbelasting in: bijna € 45 miljoen. Maar zij draagt niets af. In haar aangifte claimt zij een vermindering ter grootte van de Luxemburgse bronbelasting die op de ontvangen dividenden zou drukken. Het probleem is dat die Luxemburgse belasting elders in de structuur volledig werd teruggevraagd. Per saldo betaalde niemand belasting.
De inspecteur stelt een onderzoek in en legt een naheffingsaanslag op van bijna € 45 miljoen, plus een boete van ruim € 22 miljoen. De bv maakt bezwaar. In een eerdere procedure over de vennootschapsbelasting had het hof al geoordeeld dat de bv slechts een dienstverlenende rol speelt in een volstrekt kunstmatige structuur. De dividenden behoren niet tot haar winst. Op basis van die uitspraak vernietigt de rechtbank de naheffingsaanslag. Als er geen echte dividenden bestaan, hoeft er ook geen dividendbelasting te worden ingehouden.
De inspecteur gaat in hoger beroep en krijgt gelijk. Het hof wijst op een belangrijk onderscheid. De bv heeft zelf besloten dividend uit te keren en heeft zelf dividendbelasting ingehouden. Dat blijkt uit de dividendnota's. Uit de wet volgt dat degene die dividendbelasting inhoudt, deze ook moet afdragen. Zelfs als achteraf blijkt dat de inhouding ten onrechte heeft plaatsgevonden. De bv kan zich als inhoudingsplichtige niet verweren met het argument dat de belasting materieel niet verschuldigd was. Daarvoor had zij bezwaar moeten maken tegen haar eigen afdracht.
De bv had de afdracht achterwege gelaten door een vermindering te claimen voor buitenlandse bronbelasting. Maar die vermindering geldt alleen als de buitenlandse belasting daadwerkelijk drukt op de ontvangen dividenden. Dat is hier niet het geval. De Luxemburgse belasting werd in dezelfde structuur teruggevraagd en uit interne aantekeningen en e-mails blijkt dat de bestuurders van de bv dit wisten. Zij kozen er bewust voor de vermindering toch te claimen.
Het hof oordeelt dat de bv opzettelijk te weinig belasting heeft afgedragen. De bestuurders werkten nauw samen met de buitenlandse partijen en waren volledig op de hoogte van het kunstmatige karakter van de structuur. Zij wisten dat per saldo geen Luxemburgse belasting werd betaald. Toch claimden zij de vermindering. Dat de bv zich liet bijstaan door een belastingadvieskantoor, maakt het standpunt niet pleitbaar. De boete van 50% is passend, ook al gaat het om ruim € 22 miljoen.
Voor zover iemands inkomen uit werk en woning zonder de aftrekposten in de hoogste tariefschijf valt, geldt een lager tarief voor de aftrekposten. Dit wordt de tariefmaatregel genoemd. De inspecteur past bij het opleggen van de aanslagen de tariefmaatregel toe bij een man die in 2021 en 2022 alimentatie aan zijn ex-partner betaalt. Dit resulteert in een tariefsaanpassing van 6,5% (2021) en 9,5% (2022) in de hoogste schijf.
De man stelt dat de uitgaven voor onderhoudsverplichtingen tegen het progressieve tarief aftrekbaar moeten zijn, zonder toepassing van de tariefmaatregel. De betalingen worden bij zijn ex immers ook progressief belast. De rechtbank oordeelt dat de tariefmaatregel rechtstreeks voortvloeit uit de wet. Afwijking is slechts bij hoge uitzondering mogelijk. De wetgever heeft de gevolgen van de tariefmaatregel, inclusief het verschil in tarief voor betaler en ontvanger van partneralimentatie, expliciet overwogen. Ook de stelling over discriminatie en eigendomsrecht wordt verworpen, omdat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en de gemaakte keuzes niet onredelijk zijn.
De man stelt tenslotte dat de regels niet tijdens een lopende alimentatieovereenkomst hadden mogen worden aangepast. Nog daargelaten of dit mogelijk is, is daar in deze situatie geen sprake van. De alimentatieovereenkomst is in 2021 gesloten, terwijl de tariefmaatregel al in 2020 werd ingevoerd. De rechtbank concludeert dat de tariefmaatregel terecht is toegepast.
Een echtpaar koopt een woning. Om aanspraak te maken op het verlaagde tarief van de overdrachtsbelasting verklaren zij de woning als hoofdverblijf te zullen gebruiken. Nog voor de levering van deze woning vinden zij echter hun droomwoning. Pas na de levering van de eerste woning wordt de financiering van de droomwoning goedgekeurd. Het echtpaar stelt dat het vinden van hun droomwoning en de financieringsmoeilijkheden onvoorziene omstandigheden zijn. Als de financiering niet was gelukt, hadden ze de eerste woning als hoofdverblijf in gebruik genomen.
Omdat de eerste woning nooit werd bewoond, legt de inspecteur naheffingsaanslagen op. De wetsgeschiedenis noemt voorbeelden als overlijden, echtscheiding, baanverlies en het aanvaarden van een baan in een andere regio of emigratie, die redelijkerwijs het niet-bewonen van de woning als hoofdverblijf kunnen rechtvaardigen. Het hof oordeelt dat het verkrijgen van de droomwoning niet als zodanige onvoorziene omstandigheden geldt. Het verlaagde tarief van 2% is daarom niet van toepassing. De naheffingsaanslagen zijn terecht opgelegd.
Fiscale partners kunnen hun onderlinge verdeling van box 3 nog wijzigen na een collectieve uitspraak in een massaalbezwaarprocedure. De Hoge Raad oordeelt dat zij daarvoor zes weken de tijd hebben, gerekend vanaf de verminderingsbeschikking.
Een man maakt bezwaar tegen zijn aanslag inkomstenbelasting 2017. Zijn bezwaar wordt aangemerkt als massaal bezwaar over de box 3 heffing. In februari 2022 volgt de collectieve uitspraak: het bezwaar is gegrond. In juli 2022 ontvangt de man een verminderingsbeschikking. Een dag later laten hij en zijn echtgenote de inspecteur weten dat zij de verdeling van hun box 3 vermogen willen wijzigen. Zij willen alles toerekenen aan de echtgenote.
De inspecteur weigert mee te werken. Volgens hem is de aanslag door de collectieve uitspraak onherroepelijk geworden. Daarna kan de verdeling niet meer worden gewijzigd. De rechtbank legt de kwestie voor aan de Hoge Raad.
Fiscale partners mogen hun onderlinge verdeling van bepaalde inkomensbestanddelen wijzigen, zolang de aanslagen van beiden nog niet onherroepelijk vaststaan. Als een aanslag onherroepelijk wordt door een arrest van de Hoge Raad, hebben partners nog zes weken om de verdeling aan te passen. Maar geldt dat ook bij een massaalbezwaarprocedure? Daarin wordt de aanslag onherroepelijk door een collectieve uitspraak, zonder dat de belastingplichtige daar zelf iets aan kan doen.
De Hoge Raad constateert dat de wetgever bij de invoering van de massaalbezwaarprocedure geen rekening heeft gehouden met de gevolgen voor de partnerverdeling. Een letterlijke uitleg van de wet zou betekenen dat partners na een collectieve uitspraak geen mogelijkheid meer hebben om hun verdeling te wijzigen. Dat acht de Hoge Raad onredelijk.
De Hoge Raad wijst erop dat partners pas een weloverwogen keuze kunnen maken als zij weten wat de cijfermatige gevolgen zijn. Bij een massaalbezwaarprocedure wordt dat vaak pas duidelijk na de verminderingsbeschikking, niet al na de collectieve uitspraak. Het zou onlogisch zijn partners die onder het massaal bezwaar vallen minder gelegenheid te geven dan partners die een individuele procedure hebben gevoerd.
De Hoge Raad oordeelt dat partners hun verdeling mogen wijzigen tot zes weken na de verminderingsbeschikking die de inspecteur afgeeft ter uitwerking van de collectieve uitspraak. Dat geldt als de inspecteur in de massaalbezwaarprocedure geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld. Een verzoek om ambtshalve vermindering biedt overigens geen extra mogelijkheid de verdeling alsnog te wijzigen.
Een administratiekantoor wordt geselecteerd voor controle door het algoritme 'OB Negatief'. De eigenaar stelt dat dit onrechtmatig is en dat alle bevindingen daarom moeten worden uitgesloten. De rechtbank oordeelt anders. Algoritmische selectie is niet per definitie onrechtmatig. Zolang de uiteindelijke beslissing door een mens wordt genomen en geen discriminerende criteria worden gebruikt, mag de Belastingdienst dit hulpmiddel inzetten. Wie vervolgens geen concrete bezwaren tegen de correcties aanvoert, trekt aan het kortste eind.
Een bv verleent administratieve en fiscale diensten aan ondernemingen. De eigenaar verzorgt zelf de boekhouding en doet de btw-aangiften. Na een verzoek tot teruggaaf over het vierde kwartaal 2022 selecteert het systeem van de Belastingdienst de bv voor controle. Het gaat om het risicoselectiemodel 'OB Negatief'; een algoritme dat negatieve btw-aangiften beoordeelt op de kans dat ze onjuist zijn. De Belastingdienst stelt daarna een boekenonderzoek in over de jaren 2018 tot en met 2022.
Het onderzoek leidt tot naheffingen van in totaal ruim € 64.000. De inspecteur constateert dat de bv voorbelasting heeft afgetrokken voor uitgaven die privé van aard zijn. Daarnaast legt hij over de jaren 2019 tot en met 2022 vergrijpboetes op van 25%. De eigenaar maakt bezwaar, maar de inspecteur houdt grotendeels vast aan de correcties.
In beroep trekt de eigenaar alle registers open. Hij stelt dat het algoritme in strijd is met de AVG en Europese rechtspraak. Het zou gaan om volledig geautomatiseerde besluitvorming zonder menselijke tussenkomst. Bovendien stond het algoritme niet in het Algoritmeregister. De selectie zou hierdoor onrechtmatig zijn en daarom zouden alle bevindingen moeten worden uitgesloten. Ook klaagt hij over onrechtmatig binnentreden van zijn woning bij het inleidend gesprek en tot slot over het achterhouden van stukken.
De rechtbank volgt de eigenaar niet. De Belastingdienst ontvangt jaarlijks 2,6 miljoen negatieve btw-aangiften. Die kunnen niet allemaal handmatig worden beoordeeld. Het algoritme selecteert aangiften met een hogere kans op onjuistheid voor nadere beoordeling door een medewerker. Een mens neemt altijd de uiteindelijke beslissing – wel of geen correctie. Van volledig geautomatiseerde besluitvorming is dus geen sprake. Het algoritme verwerkt alleen zakelijke gegevens zoals aangiftebedragen, betalingsgegevens en bedrijfsgegevens. Bijzondere persoonsgegevens zoals etnische afkomst worden niet gebruikt. De eigenaar heeft ook geen concrete feiten aangevoerd waaruit discriminatie of een ander onoorbaar criterium zou blijken.
De inhoudelijke correcties zijn uitgebreid onderbouwd in het controlerapport. De eigenaar volstaat met de algemene stelling dat de administratie onjuist zou zijn, maar concretiseert dit niet. Ook na inzage in de auditfiles waarop de controle is gebaseerd, benoemt hij geen specifieke fouten. De rechtbank acht de correcties aannemelijk. De boetes van 25% zijn eveneens terecht: het gaat om privé-uitgaven die als zakelijk zijn opgevoerd. Van iemand die zelf fiscale diensten verleent, mag worden verwacht dat hij dit onderscheid kent. De rechtbank spreekt van grove schuld.
Een dierenarts brengt zijn praktijk in een bv in en waardeert de goodwill op € 400.000. Kort daarvoor had een investeerder ruim € 3 miljoen geboden. De rechtbank oordeelt dat de dierenarts dat bod niet zomaar mocht negeren.
Een dierenarts runt samen met zijn ouders een dierenartspraktijk. Begin 2020 meldt zich een grote internationale investeerder met interesse in overname. Na uitwisseling van cijfers volgt in augustus 2020 een bod van € 3,3 miljoen plus een bonus bij toekomstige groei. De familie tekent een intentieverklaring, maar haakt tijdens het boekenonderzoek af. Ze wil de praktijk toch niet uit handen geven.
Vier maanden later brengt de familie de praktijk onder in bv's. Zij kiezen voor een zogeheten ruisende inbreng: de meerwaarde van de praktijk wordt direct belast, in ruil voor een hogere boekwaarde in de bv. De dierenarts waardeert zijn aandeel op basis van de zogenoemde multiple methode, een gangbare rekenmethode in de branche. Hierbij wordt het bedrag van de veronderstelde jaarwinst vermenigvuldigd met een kapitalisatiefactor. De totale goodwill komt uit op € 400.000. Daardoor blijft de af te rekenen winst in de aangifte beperkt.
In de zomer van 2021 meldt de familie zich opnieuw bij dezelfde investeerder. Nu volgt een bod van € 5,3 miljoen. Na onderzoek wordt de praktijk verkocht voor € 4,7 miljoen plus groeibonussen.
De inspecteur vraagt zich af hoe de praktijk in december 2020 € 400.000 waard kon zijn, terwijl een serieuze koper kort daarvoor € 3,3 miljoen had geboden. Hij verhoogt de goodwill naar € 4,7 miljoen en legt een forse aanslag op.
De rechtbank legt uit wat 'waarde in het economisch verkeer' betekent: de prijs die de hoogstbiedende zou betalen. Uit het bod van augustus 2020 blijkt dat die waarde rond de € 3,3 miljoen lag. De door de dierenarts gehanteerde waarde van € 400.000 is niet verdedigbaar. Zijn rekenmethode hield geen rekening met de groeikansen die de investeerder zag. Het argument dat de familie helemaal niet van plan was te verkopen, doet niet ter zake. Bij inbreng in een bv gaat het om de objectieve waarde, niet om de plannen van de eigenaar. De rechtbank oordeelt dat de dierenarts bewust een te lage waarde heeft gehanteerd. Hij had moeten weten dat het negeren van een concreet bod zou leiden tot een veel te lage aangifte. De inspecteur gaat uit van de verkoopprijs van 2021, wat volgens de rechtbank ook niet reëel is. Tussen de inbreng en de verkoop is een concurrent in de buurt gestopt, waardoor de verwachting over de toekomstige omzet is gestegen. Die waardestijging bestond nog niet op de inbrengdatum. De rechtbank schat de waarde op € 4 miljoen: het midden tussen het bod van 2020 en de uiteindelijke verkoopprijs.